Magnolia Magnolia/Magnolia van Kraakbeen beton en speekselmedaille

(Over toeval, symboliek en de komst van Rinus Spruyt de Zeeuwse man)

In dit groene groene knollenland is er voortdurend wat aan de hand.

Wij schuwen dus Borealis en Mistral en zijn beducht, bovenal voor Boole-Algebra en Harmattan want zoniet wat dan.

Meer zelfs dan ooit tevoren is ook heden ten dage, ratskuch met bonen het soldatendiner en Mie Katoen de dochter van Marie Plancher.

In de hoogste buildings huizen de meest uiteenlopende overheden en regelen alles en nog wat te onzen behoeve.

Als alles + nog wat voor ons geregeld is, sluit de Dienst Integrale Veiligheid ons op in koten en steelt vervolgens de Zuiveringsmilitie eerst ons geld en dan onze mobiele telefoon en ten slotte onze sigaretten zodat uiteindelijk onze adem stokt, de rigor mortis intreedt en het Ruimerke in actie treedt als wij door ons ontbinden vroeg in de morgen overlast gaan veroorzaken en aanleiding dreigen te geven tot trammelant kabaal en tumult. Dan is alles plots afgelopen en waaien wij de lucht in en rest er niets meer van ons veeg karkas dan een dunne blauwe sliert die men voorheen alleen met Bastos associeerde. Stof & a.s en wat ons overblijft van Lucy in the Sky with Diamonds. Haar pis van goud en haar kak van glas. Haar whiskeyplas.

(Alles went behalve het voorlaatste dan het laatste dan het allerlaatste sacrament en de vieze groene schimmel op ons Paasbrood.)

De wegen van de Allerhoogste zijn ondoorgrondelijk + zeer zelden aangenaam en Hij straft meedogenloos en met onmiddellijke ingang wie rocker in Pyongyang wil zijn en door Koreaanse bossen gaat lopen hossen en broekzakken vol spijt en lege kollektebussen vol fluim en slijmen en hier en daar een banjo her en der een mandoline.

Op een wormstekige kruk in een kooi op een podium ergens in een zaal van ergens een toneelhuis zit de aangeklede aap te wachten op zo veel mogelijk bekijks en aanzien wijl zijn tweelingzuster de naakte apin aan de kassa op de loer ligt te speuren naar elke tiende kijker om hem/haar op fluistertoon het einde aan te zeggen en reeds nu zijn/haar mausoleum verbeurd te verklaren en te vuur en te zwaard te brandschatten omwille van het goud en het zilver. Laat ons dus met z’n allen weer eens wat plaatjes draaien van die voortreffelijke Connie Francis en denken dat wij boerinnen zijn en boeren vuts en voort en verder ploegen tot we krom en knoestig een eindje voor ons uit gaan liggen doodgaan op onze voute tot het de heer behaagt ons tot zich te roepen en de notaris te bellen.

 

Het vervolg van deze tekst en de inleiding van Christ Keustermans lees je in de papieren versie van DW B 2017 3.