Mastodont

 

 

1. Y Garcia M.
 
caravan – Russische toendra – winter

 

Mijn evenbeeld is een Idee, een aanblik, een etalagepop zonder geheugen. Helblauw geschilderde ogen waarmee hij wazig voor zich uitstaart, in de verte een vrouw in het vizier heeft die goud in de aarde zoekt en met haar hand blijft steken aan de gebogen vingers van aardappelwortels.

Zo introduceert Bashir Maresqué haar, wanneer Y Garcia M. de passage in zijn dagboek over hun niet zo toevallige ontmoeting opnieuw leest. Die avond, weet je nog? Als ik lees hoe Y Garcia M. alles verzamelt, denk ik altijd dat mijn herinneringen congrueren met de zijne. Die avond, weet je dat niet meer? Met de oranje zon die lekte en over het landschap druppelde? En de diepe walm van deodorant die opsteeg uit het publiek? Je proefde de alcohol in de lucht als je je tong uitstak. Je weet wel, na de voorstelling waar IJzermond Y Garcia M. met een kanon door de lucht schoot. Nee…?’ Zij. Ljoedmilla. Vaak houdt ze redevoeringen over de darmflora van Ideeën, overtuigd dat diens eindproduct aanvoelt als rotte brie (het culturele nazinderen van elk bovennatuurlijk wezen of idee zou ze afstoten), en over het Goede op de bodem van een halfvolle fles wodka (alles zou na de afdronk in een moediger licht verschijnen). En altijd heeft ze honger en dorst. Misschien hield ze daarom van hem.

Ik herinner het me vaag, ja. Ja, dus?’

‘Ik weet het niet. Het toeval domineert. Public bathroom cleavage, bijvoorbeeld, zo heet het vierde hoofdstuk van Mastodont. Het is een hoofdstuk waarmee ik mijn schedel zou bedrukken, schat. Weet je waarom het hoofdstuk zo heet?’ vraagt hij haar, maar ze luistert niet, ze knijpt in haar lepel. De gasstoof gaat uit en hij serveert de pan kale macaroni.

Buiten sneeuwt het donzige vlokken, het landschap is wit nu. Hij denkt met nostalgie terug aan ’s zomerse zonnebuien, beeldt zich in hoe de planten als fossielen uit groen glas zouden verschijnen en verwelken. Was die zon maar krachtig genoeg! Dan zetten ze de tent weer op.

Het is niet gezond één boek zo goed te vinden.’

 

Het vervolg van deze tekst lees je in de papieren versie van DW B 2017 3.