Als gebouwen zichzelf opheffen

 

‘Ik adoreer’, schreef de vrijheidsstrijdster vanuit haar schuilplaats – die uiteraard geheim was, schuilplaatsen horen geheim te zijn – ‘Ik adoreer’, schreef ze, ‘het openvouwen van gebouwen als ochtendbloemen, glazen gebergtes en reusachtige stalen stellingkasten die door de donderklap van een chemische subversieve interventie omgekruld worden, of dankbaar zichzelf omkrullen, wie weet wachtten ze al tijden op deze kans om uit hun utilitaristische kaders te mogen knappen’, schreef ze – rillend van gerechtigheid – met haar eigen bloed of met gestolen nagellak, wie weet, op papier dat naar zwavel rook, naar zwavel en kunstmest.

‘Ik’, vervolgde ze, ‘hou zelfs nóg meer’ (en hier viel dan toch een sadistische schaduw over haar idealisme, of misschien niet zozeer sadistisch dan wel zelfgenoegzaam, de zelfgenoegzaamheid van een vrijheidsstrijdster die meesmuilend grijnst om de bevredigende aanblik van een goed gepland resultaat, en dat er doden vallen is nog tot daar aan toe, doden vallen er voortdurend, overal, maar we hebben liever niet dat deze veroorzaakster met al haar rechtvaardigheidsutopisme iets anders dan zuiver professionele trots aan de ravage ontleent) – ‘nog meer houd ik van brute façades die niet naar buiten vallen in een uitademing van geweld, maar zich in zichzelf terugtrekken alsof hun stoelpoten doormidden knakken, of de helft van de tentstokken ineens verdwijnt: cementmonsters met ambtenarentralies die hun rokken op lijken te trekken en dan van schaamte ineen kukelen: niets is dorstlessender dan een gebouw dat – let wel! – al veel te lang niet aan het imploderen is: als een paard waarvan we dachten dat het stond te slapen, maar we ontdekken dat het al lang, al heel lang dood is, bevroren met zijn laatste nachtmerrie.’

 

Het vervolg van deze tekst lees je in de papieren versie van DW B 2017 3.