Centrifuge

 

Dat de dag nog niet teneinde was, wist ik, toen ik in de schemer, die ons laat in de middag al avond oplegde, in de flank geraakt werd door een schot, dat zich nog niet voltrok, en niet alleen ik, maar ook de slagersdochter van Schram bloedde van een wond die ze nog niet kon voelen, maar waarvan ze het bloed dat zou bloeden al van haar beide handen aan haar schort afveegde: eerst de palmen, dan de ruggen, dan weer de palmen, in drie snelle bewegingen haar beide handen, binnenkant – buitenkant – binnenkant  en het bloed dat nog zou bloeden mengde zich in haastige vegen over haar onderbuik met de bruine vlekken op de schort die ze in de loop van de dag in de werkplaats achterin had opgelopen bij het snijden en het hakken, tsjak, vlees van bot, tsjak, pees van bot en vlees van vlees, tsjak, tsjak, de haast van bewegingen die eigenlijk geen haast behoeven, omdat ze zich toch de hele dag door zullen herhalen, de hele dag door tot de dag schemer wordt en het werk zich voor een nacht maar opbergt in het donker, maar toch de haast, want werk is haast is brood en het stille bloeden in de vlekken op de schort van de slagersdochter zou pas veel later in het donker ophouden, haar handen allang gewassen en het vuil ingetrokken in het stof, pas dan zou het stille bloeden ophouden, en zo is het ook met het bloed dat ik daarstraks uit de schrei van het kind zag druppelen, ook dat bloeden zal pas veel later ophouden, lange uren later nadat ik het kind vanmiddag zag op de Kloosterbaan die langs de tram loopt en vanaf de kruising met de Vrij met de tram meeholt, tot aan de Steenweg, daar geeft de Kloosterbaan het op achter de sporen en de tram aan te hollen, daar ligt de straat buiten adem en zonder naam op de rand van de stad en hollen de sporen verder de stad uit, de volgende plaatsnaam in – ze kunnen niet snel genoeg weg zijn, de sporen lopen en lopen maar door, ver voorbij tot waar ik stond, waar de Kloosterbaan de Vrij kruist  ...

 

Het vervolg van deze tekst lees je in de papieren versie van DW B 2017 3.