Deus ex Machina; Streven; nY

Verschenen in: Het immateriële
Auteur: Sven Vitse

Deus ex Machina

nr. 151

december 2014

 

De wisselwerking tussen het materiële en het immateriële heeft wellicht op weinig plekken in het naoorlogse Europa tastbaarder gestalte gekregen dan in Berlijn, de stad waarvan niet alleen de grond maar ook de geest door een betonnen muur gespleten werd. De redactie van Deus ex Machina noemt vijfentwintig jaar Mauerfall als aanleiding voor haar themanummer over Berlijn, maar eigenlijk is elke gelegenheid goed om zich door deze stad te laten inspireren. De bijdragen aan dit rijk gevulde nummer bestrijken de hele twintigste eeuw en vinden een vervolg in kortere stukken op de website.

        Het vooroorlogse Berlijn is vertegenwoordigd door twee van zijn talrijke schrijvende bewoners. Van Robert Walser, die er voor de Eerste Wereldoorlog enkele jaren verbleef, vertaalt Machteld Bokhove twee uiterst korte, vervreemdende verhalen – parabels haast in hun intense zeggingskracht. Huub Beurskens presenteert drie Berlijnse gedichten van de expressionist Gottfried Benn, die zowat de hele eerste helft van de eeuw in de stad doorbracht. De slotregels van ‘Berlijn’ zijn in het licht van de vele geschiedenissen van de stad bijzonder pregnant: ‘als voorgoed de muren breken, / zullen nog de puinen spreken / van het grote avondland’. Daarnaast deelt Beurskens met de lezer een fijne fantasie, waarin Franz Kafka, Vladimir Nabokov en Gottfried Benn elkaars pad kruisen in een Berlijnse bioscoop in 1924.

         Erg fraai vind ik de cultuurhistorische schetsen van het Berlijnse leven, die samen een indruk geven van de creativiteit, de waanzin en de melancholie die de Muur en het West-Berlijnse isolement genereerden. Piet de Moor focust op een toonaangevende figuur uit de West-Berlijnse kunstscene van de jaren 1980: Wolfgang Müller, schrijver, muzikant (in de band Die tödliche Doris) en chroniqueur van dit decennium. Om aan de dienstplicht te ontsnappen trokken studenten en jongeren in groten getale naar de West-Berlijnse enclave, waar ze zich na het politieke radicalisme van de jaren 1960 en 1970 in de artistieke underground terugtrokken. Bovengronds werd in West-Berlijn dan weer gevoetbald. Jørg van Caulil vertelt een zeldzaam treurig verhaal over stadsclub Hertha BSC, waarvan de supporters in west en oost door de muur gescheiden werden. Fans uit beide stadsdelen verbroederden in Praag, terwijl het stadion van de officiële club uit Oost-Berlijn gevuld werd door Stasi-officieren in donker pak. 

         De contemporaine literatuur komt uiteraard ook aan bod. De gedichten van Hans-Ulrich Treichel (vertaald door Wiel Kusters) evoceren ervaringen in Berlijnse wijken als Prenzlauer Berg en Kreuzberg. Het proza van Barbara Schilling wordt om onduidelijke redenen ‘geen literatuur in de strikte zin van het woord’ genoemd, maar het stukje biografische fictie over de oorlogservaringen van de moeder van de auteur (vertaald door Joëlle Feijen) is er niet minder lezenswaardig om. Van Bodo Morshäuser is geen fragment vertaald en dat is jammer, want het interview met de auteur, afgenomen door Max Moragie, maakt nieuwsgierig. Morshäuser peilt sinds de jaren 1980 de geest van wat hij de West-Berlijnse simulatie noemt – de simulatie van een normaal functionerende maatschappij – en buigt zich in zijn meer recente werk over de terugkeer van extreemrechts. 

 

 

 

Het vervolg van deze tekst lees je in de papieren versie van DW B 2015 3.