Wat er gebeurt tussen de verhalen. Over Voor jou van K. Schippers

Auteur: Marieke Winkler
K. Schippers, Voor jou, Querido, Amsterdam, 2013.
Download deze tekst in pdf:

Een grote kleinauteur

In De man zonder eigenschappen (1930) presenteert Robert Musil de figuur van de Groβschriftsteller, in het Nederlands vertaald als ‘grootauteur’. De grootauteur is ‘een bijzondere vorm van verbinding van de geest met grote dingen.’ Hij is een succesvol schrijver, heeft een auto (‘het minste dat men van de grootauteur verwacht is dat hij een automobiel heeft’), hij heeft de wereld gezien, wordt door ministers ontvangen en ‘overal uitgenodigd waar het er om gaat te tonen hoe ver men het heeft gebracht’. De grootauteur is een gewichtig man, die over alles zijn zegje wil doen. Hij heeft een uitgesproken mening  over zijn eigen werk of de literatuur in het algemeen, en ook over politieke en maatschappelijke kwesties.  

K. Schippers is de antipode van de Groβschriftsteller. Hij is een schrijver die zich met de kleine, alledaagse dingen bezighoudt, iemand die absoluut geen behoefte heeft zich uit te laten over andere zaken dan het artistieke werk. Sterker nog, hij heeft een grote afkeer van alles wat gewichtig is en zal geen gelegenheid voorbij laten gaan om het belang van zijn werk te relativeren. ‘Het is gewoon amusement. Het publiek moet het wel een beetje leuk vinden!’, zei hij tijdens een interview op het Gedichtenbal in 2014. Schippers bestuurt geen ‘automobiel’, hij rijdt met anderen mee. In Voor jou schrijft hij over ‘het lichte schuldgevoel’ dat dit met zich meebrengt.

Anders dan de grootauteur toont de kleinauteur ons onpretentieuze literatuur. Hij toont een kunst waarin het streven naar traditionele esthetische waarden zoals het Schone, het Ware en het Goede nagenoeg afwezig is, zelfs doelbewust gemeden wordt. Kunst wordt teruggebracht tot het alledaagse. In die zin is Schippers altijd het motto trouw gebleven van Barbarber, het ‘tijdschrift voor teksten’ dat hij in 1958 oprichtte samen met J. Bernlef en G. Brands: ‘Niet de fiktie, maar de realiteit dient tot kunst te worden verklaard.’ Barbarber ontleende dit motto aan een uitspraak van Leo Vroman, die in een inleidende brief aan de redactie zijn Ars poetica had geschreven, namelijk dat hij de poëzie wilde terugbrengen tot ‘een ogenblik in de gebeurtenissen van een dag’. Wat de Barbarber-redactie hierin aansprak was de opvatting dat kunst niet mooier of lelijker is dan de alledaagse werkelijkheid. Ze is niet verhevener of lager, ze is er gewoon. Ook Cees Buddingh’ schreef in de jaren 1960 over de nieuwe poëzie van Barbarber: ‘de poëzie is er gewoon zoals het voetbalspel, als het kleintje koffie, de Oude Maas en het weerbericht. Zij is een verschijningsvorm als duizenden anderen.’ 


Het vervolg van dit artikel lees je in de papieren versie van DW B 2014 4 en in de pdf hierboven.