Jonge wolven IX: Voorbij het zwelgen in eigen falen

Verschenen in: Land Art
Wouter Godijn, Hoe ik een beroemde Nederlander werd, Atlas Contact, Amsterdam / Antwerpen, 2013.
Download deze tekst in pdf:

Beste wolven,


Lezen in dichtbundels of romans van Wouter Godijn is altijd een avontuur en dat avontuur speelt zich ook altijd af op het niveau van het lezen en schrijven zelf. De schrijver reflecteert nadrukkelijk op de rol van de schrijver, op de daad van het schrijven, op de rol van de criticus. Schrijven over het werk van Godijn geeft je het gevoel alsof er iemand over je schouder meekijkt en juist die idee, van een entiteit die je bekijkt en beoordeelt, loopt als een rode draad door zijn werk.


        Sinds zijn romandebuut Witte tongen (1997) komen verschillende thema’s en motieven steeds terug in zijn prozawerk, De dood van een auteur die een beetje op Wouter Godijn lijkt (2007) en Mijn ontmoeting met God en andere avonturen (2010). Ook in zijn dichtwerk – dat inmiddels zeven intrigerende bundels omvat, met Alle kinderen zijn van glas (2000) als begin en het terecht bekroonde Hoe H. H. de wereld redde (2012) als voorlopige hoogtepunt – houdt Godijn zich bezig met Grote Vragen: wat is Goed, wat is Kwaad en (hoe) kunnen ze gelijktijdig bestaan? Hoe verhouden wij, denkende mensen, ons tot een denkbare god? Hoe ga je als kleine schrijvende mens om met je grote obsessies en wat als een van die obsessies een romantisch-hoogdravend ideaal over de taak van de schrijver is? Wat te doen met de ondraaglijke lulligheid van het bestaan, met obstipatie, diarree en een kotsende kat? Antwoorden op deze en andere vragen vinden we in zijn recentste roman Hoe ik een beroemde Nederlander werd (2013), aangevuld met nog veel meer vragen.


        Voordat het feest van de interpretatie kan losbarsten, moet ik een pas op de plaats maken en twee dingen constateren. 1) In de meeste kritieken die ik gelezen heb (met name die van Joost de Vries, Arjen Fortuin en Arie Storm) slagen de critici er niet in om deze roman adequaat te omschrijven en is het nadrukkelijk aanwezige politieke element ondergeschoven of zelfs verzwegen. Dat moeten wij rechtzetten. 2) Het zal voor de lezer van ons stuk onmogelijk zijn om te volgen waar wij het over hebben, als ik niet eerst helder de structuur van de roman weergeef. Dat is niet eenvoudig en de compositie van de roman lijkt complex maar ik doe mijn best om deze eenvoudig weer te geven en aldus dichter bij mijn eigen leeservaring uit te komen.


        De roman begint met drie hoofdstukken waarin we kennismaken met de jonge Wilfried die met zijn vriendjes en vijandjes in een schijnbaar eeuwigdurende jongenstijd aan het vissen is. Hij ontwaart in het water een enorme snoek en probeert het monster te vangen maar dat mislukt. Na een kleine tijdsprong zijn we bij de oermythe van zijn leven: hij ziet voor zijn ogen en – zo vindt hij – door zijn schuld zijn moeder verongelukken. Dit gedeelte van de roman eindigt met een korte uiteenzetting over een mysterieuze berg in zijn geboortedorp, een berg die ontstaan was ‘[o]ngeveer in de tijd dat Wilfried werd geboren’. (36) Er zijn, verspreid over de roman, zes zulke Wilfriedhoofdstukken.


        Op de drie inleidende hoofdstukken volgt het eerste stuk dat als titel ‘Een kijkje in de keuken (1)’ draagt (hiervan zijn er drie). Hierin ontmoeten we een verder naamloze sukkel die de schrijver blijkt van de roman over Wilfried. Daarnaast vertelt deze schrijver als ik-verteller niet alleen de drie keukenhoofdstukken maar ook andere hoofdstukken. Zo zijn er twee hoofdstukken onder de noemer ‘Hoe ik hier ben terechtgekomen’ die gaan over zijn mislukte huwelijk, een gefnuikte affaire en zijn sociaaleconomische marginalisering; ‘hier’ is een klein huurappartement dat hij deelt met huisdier Poespoes. Voorts nog twee hoofdstukken getiteld ‘Vaandels’ en ‘Miertjes’ over zijn onbeholpen ‘aanslag’ op een populistische politicus die naar Wilders gemodelleerd is: ‘Een in alles middelmatige man met geverfd haar en een gezicht dat altijd op pruilen staat.’ Ingebed in de keukenhoofdstukken zijn drie passages die ‘Aantekeningen over het hedendaags fascisme’ heten en die hij schrijft omdat hij ‘het niet laten [kan]’. (40) Die aantekeningen infecteren gaandeweg een groter deel van de roman.


        Hoewel er verschillende ingebedde vertellingen, vertellers en perspectieven aanwezig zijn, leest de roman als een trein. Pas bij herlezing vertraagt de lectuur, omdat je dan ziet hoe ingenieus het werk in elkaar zit en oog hebt voor alle parallellieën, spiegelingen en verborgen vooruitwijzingen. Beste wolven, waar pakken jullie een van de vele draden op?


Alle goeds,


Willem


Het vervolg van deze tekst leest u in de bijgevoegde pdf.