Eerst wat lucht. Ons verlangen en de taal van Paul Bogaert

Verschenen in: Land Art
Auteur: Jeroen Dera
Paul Bogaert, Ons verlangen, De Bezige Bij Antwerpen, Antwerpen, 2013.
Download deze tekst in pdf:


Als ik een nieuwe dichtbundel onder ogen krijg, volg ik een vast ritueel: ik lees de eerste regel (heel soms: regels) en sla de bundel weer dicht. Dan laat ik de gelezen woorden op me inwerken: welke associaties roept de dichter bij mij op, wat vind ik van de gebruikte klanken, staan de beelden mij aan? Op die manier vorm ik alvast een vooroordeel, dat tijdens mijn verdere lectuur bevestigd of ontkracht kan worden. Het is, geloof ik, een literaire variant op de uitdrukking ‘Je krijgt maar één kans om een eerste indruk te maken’, die overigens ook uitstekend werkt in het geval van proza.

        Over het algemeen leidt deze manier van lezen louter tot dialogen met mezelf en dan vooral tijdens een vroege fase van de lectuur. In het geval van Paul Bogaerts meest recente bundel Ons verlangen (2013) wil ik mijn ritueel echter met u delen. Het openingsgedicht, getiteld ‘Loskoppeling’, begint met de volgende regel: ‘Eerst wat lucht.’ Bam, en toen sloeg ik het boekje dicht. Eerst wat lucht: die woorden hadden direct betrekking op mij, want het was lang geleden dat ik zo’n fascinerende regel had aangetroffen als opening van een dichtbundel. Waarvoor was die lucht nodig? Stond er bij Bogaert iets heel heftigs op het programma, waardoor het noodzakelijk was eerst naar lucht te happen? Gezien het wereldbeeld dat de dichter in zijn eerdere werk breedvoerig heeft uitgedragen, zou het me niet verbazen: in Bogaerts poëzie leeft de mens in ultieme verstikking en wordt hij gesmoord in de kussens van bureaucratie, werkdruk en sociale verplichtingen. Daar zou de regel natuurlijk ook op kunnen slaan: in zo’n maatschappij hebben we altijd ‘een shot lucht’ nodig,  zoals de dichter het in de Slalom soft (2009) uitdrukte. Maar ik hield ook meteen rekening met de mogelijkheid Bogaerts openingswoorden poëticaal te lezen: als een metafoor met als tenor de dichterlijke inspiratie – een (al dan niet geïroniseerde) romantische topos die naast het ‘verlangen’ uit de titel niet zou misstaan. De kracht van de regel ligt, geloof ik, uiteindelijk besloten in het gegeven dat al die opties tegelijkertijd worden opgeroepen: wie ter opening van een bundel ‘Eerst wat lucht’ schrijft, onderkent een gevoel van verstikking én doet in zekere zin – via de taal – een poging daaraan te ontsnappen.


De volledige versie lees je in de pdf.