Vermoeiend cynisme? Over Winst van Jeroen Olyslaegers

Verschenen in: Rijndorst
Auteur: Hans Demeyer
Jeroen Olyslaegers, Winst, De Bezige Bij, Antwerpen, 2012.
Download deze tekst in pdf:


‘Met refleksie alleen wordt men nooit echt verliefd’, aldus J. Bernlef. Wie de kosten en baten van een relatie tot de wereld afweegt, zal zich nooit kunnen bewegen tot enig engagement als hij geen passie voelt. Met alleen emoties word je wel verliefd, maar bestaat het gevaar dat je je passief laat meedrijven op het verliefde gevoel, terwijl je tegelijk ter plaatse blijft trappelen: je zweeft boven een wereld die onaangetast blijft omdat het verliefde gevoel zich niet verbindt met een reflectie op wie je bent en in welke tijd en ruimte je je bevindt. Ik slaak dan ook een zucht van naïeve verliefdheid wanneer ik terechtkom in een situatie als de volgende: 

Op dat vervloekte stationsplein staan nu drie jonge mensen die borden omhooghouden waarop ‘Revolution of the soul’ staat geschreven en ‘Verandering nu’. Een jonglerende clown staat naast hen. Ze delen pamfletten uit die door toch wel wat mensen aandachtig worden bestudeerd. Sympathiek, maar wat doe je hiermee? (…) Ik ben iets te lang blijven stilstaan en krijg dus een van hen op mijn dak. Hij stapt resoluut naar me toe. (…) ‘Het gaat om een rebellie zonder leiders’, zegt hij en hij geeft me een pamflet ter verduidelijking. ‘En we staan hier voor jou en voor iedereen.’ (…) ‘Rebellie tegen wat?’, krijg ik er nog uit. De jongen legt zijn bleke hand op zijn buik, op zijn dofzwarte legerjack. ‘Dat voel je hier.’

Dat is het moment waarop ik met de ogen rol omwille van de sentimentaliteit van het gebaar en het holle karakter van de retoriek. Dat is echter meteen ook het moment waarop ik me opnieuw betrap op een cynisme dat even weinig vruchtbaar is als de bespotte protestbeweging. Die momenten zijn vermoeiend. Eenzelfde vermoeidheid overvalt me wanneer ik links weinig constructieve kritiek hoor uiten op links of wanneer ik besef dat twee, door mij hoog gewaardeerde Vlaams-Nederlandse auteurs al tien jaar lang bekvechten terwijl ze het voor zeker 75 procent met elkaar eens zijn. 
        Vermoeid was ik ook na het lezen van Winst, het vierde prozaboek van Jeroen Olyslaegers waaruit bovenstaand citaat komt. Na Wij (2009) vormt deze roman het tweede deel van een trilogie over ‘onze ontspoorde tijd’. Stond in het eerste boek Georges centraal, in Winst is zijn zoon Donald de hoofdfiguur. Beide boeken kunnen los van elkaar worden gelezen, al zijn er duidelijke overeenkomsten in thematiek (zoals de gemeenschap) en in stijl: het tweede deel continueert de snerpende toon die elk hypocriet gedrag wil aanklagen. Winst steekt letterlijk de draak met alle halfslachtige en passieve sentimenten die roepen om verandering, maar moeilijk tot een begrip van de verwenste wereld komen: ‘Iedereen begrijpt de woede, niemand legt uit waarom’; ‘Niemand weet wat, toch niet echt. Er rest slechts bezwering.’ 
       
In die zin lijkt Winst twee uitspraken van Donald uit Wij tot hun uiterste consequenties door te trekken: ‘Alles is kapot (…) en iedereen doet alsof’ en ‘We koketteren allemaal met onze machteloosheid, ons rest niets anders.’ De roman valt te lezen als een cynische en agressieve satire die het koketteren tackelt, net als alle schijnbewegingen om iets van dit leven te maken. Olyslaegers creëert in deze roman een helse sfeer en houdt die een boek lang vol. Het cynische wereld- en mensbeeld veroorzaakt niet alleen bij de personages, maar ook bij de lezer vermoeidheid. Toch blijf ik me afvragen of het boek met zijn vermoeiende cynisme niet een gemiste kans is? Of het boek zelf niet te veel emotie is en te weinig reflectie: geen verliefdheid weliswaar, maar agressie. Het boek wil zodanig upfucken dat je als lezer de gebeurtenissen amper met je eigen wereld kunt verbinden.

Het vervolg van deze tekst lees je in de bijgevoegde pdf.