'I want you in my arms'. Utopie en nostalgie bij John Maus en Jeroen van Rooij

Auteur: Hans Demeyer

In het laatste hoofdstuk van de roman Elf van Daniël Rovers verlangt het naamloze personage na de breuk met de ‘liefde van zijn leven’ ernaar ‘popmuzikant’ te zijn, zodat hij:

onbevangen en zonder permanente podiumvrees door het leven had kunnen gaan. Had ik maar gitaar of piano leren spelen, had ik maar een goede zangstem. Muzikanten dragen voor uit hun eigen dagboeken, en het publiek vindt dat dan niet pathetisch, maar zingt uitgelaten de bekende regels mee.


Nu de breuk het mannelijke personage op zichzelf heeft teruggeworpen, voelt hij de nood om te communiceren en de treurige cirkel van ‘zelfmedelijden’ te doorbreken. De popmuziek lijkt de enige uitweg. Zij verdraagt sentimentele en dramatische gedachten zonder dat ze de moeilijke omweg van stijl en beheersing moet maken. In een literaire tekst zul je doorgaans geen tien keer na elkaar ‘I miss you’ lezen. In de muziek echter kan die herhaling een emotionele en individuele kracht bieden waar luisteraars zich mee identificeren of zich in inleven. Tegelijk kunnen dergelijke regels ook een goedkope gimmick zijn die niet aan de sentimentaliteit en het cliché ontsnapt en die de individualiteit van zowel de muzikant als de luisteraar uitsluit.
        Het nummer ‘No title (Molly)’ van de Amerikaanse popmuzikant John Maus vormt een opeenstapeling van dergelijke lyrics.
In lagen van reverb en echo worden banaliteiten als ‘Oh she pretty pretty pretty with it / I get it, so pretty / my Molly is in the city / come on!’ voortdurend herhaald en gevolgd door de betere clichés uit het amoureuze genre: ‘I will hold you in my arms tonight (…) / again again and again / for the first time’. Maus gebruikt en manipuleert dergelijk materiaal, dat eigen is aan het repertoire van de popmuziek, om er tegelijk een reflectie op te bieden. Hij wil vragen stellen naar wat er specifiek is aan popmuziek ten opzichte van andere muzikale talen, en naar de manier waarop popmuziek zich verhoudt tegenover de bestaande machtsconstellatie. De ‘weddenschap’ waarvoor Maus zichzelf naar eigen zeggen stelt, is de idee dat de muziek een plaats is waar we de bestaande condities kunnen verstoren en waar iets nieuws, een ‘waarheid’, kan ontstaan. Maus’ project roept zo de vernieuwingsdrang van de popmuziek op, maar het gebruik van eighties pop en andere oude muzikale talen stelt dan weer de vraag of Maus niet eerder nostalgie evoceert dan utopie.
        De romans van Jeroen van Rooij vormen een literaire reflectie op de utopische mogelijkheid van muziek, meer bepaald van de elektronische muziek en de raveparty’s. Hier bestond het geloof dat buiten de bestaande grenzen van de maatschappij nieuwe gemeenschappen konden worden opgericht. Hoewel de teksten van Van Rooij dergelijke ideeën zeker niet ongenegen zijn, gaan ze er ook niet naïef in mee. In zijn romans zijn diverse stemmen te horen waarin zowel de kracht van de utopische droom als de kritische reflectie erop weerklinken. In zijn debuut De eerste hond in de ruimte mixt hij als het ware verschillende sporen tot een gelaagde technotrack waarin ravers, verhalen- en dagenmakers, en een wolvenjong elkaar zowel begeleiden, tegenspreken als overstemmen. In Het licht is het aantal perspectieven beperkter: een groepje ravers, de sensatiemedia en een mislukte, ietwat verzuurde tekstschrijver. Meer dan bij John Maus is hier een gevoel van nostalgie aanwezig, van een verlangen naar een verloren gegane utopische blik.
        Maar is popmuziek niet steeds de muziek van het nu geweest? Van het moment waarop lichaam en geest samenvallen en waarop het lichaam het podium of de dansvloer kan betreden zonder dat de geest het twijfelend, vermoeid of angstig toespreekt? Biedt pop niet meer dan alleen een nostalgisch zwelgen in de daarnet nog gewonnen en nu alweer verloren (liefdes)ervaringen en wijst zij met haar eeuwige drang naar vormelijke vernieuwing niet ook inhoudelijk de weg naar de toekomst?
‘Cut me in quadrants / leave me in the corner / oh, now it’s passing / oh, now I’m dancing’, zingt Antony and the Johnsons in ‘Epilepsy is dancing’. Maus en Van Rooij geven zich in hun jonge oeuvres zeker niet over aan een eenvoudig verlangen naar het verleden, maar stellen de vraag naar wat die utopische dimensie van de popmuziek kan zijn in een wereld waarin het kapitaal ons gebiedt om voornamelijk hetzelfde te blijven doen.


Het vervolg lees je in de papieren versie van DW B 2013 2