Jonge wolven VI: Een plek waar we met z'n allen hebben afgesproken. Over Unica van Lucebert en hedendaagse zines

Verschenen in: Clubsandwich
Lucebert, Unica, De Bezige Bij / Stedelijk Museum Amsterdam, Amsterdam, 2011.
Dennis Gaens, Ik en mijn mensen, Van Gennep , Amsterdam, 2010.
Download deze tekst in pdf:

Beste wolven,

Het is 27 december 2011. De Nordmannspar geeft geen geborgenheid meer, we proberen de gaten in het tochtige huis te dichten met kilo’s drukwerk (vol eindejaarslijstjes en terugblikken) en ik probeer een verwaarloosde traditie tot leven te wekken. Die van het ‘literaire gesprek’, bedoel ik, met een lichte toon, bon mots en intertekstuele knipoogjes. Wat is deze wolvenrubriek anders dan een eenentwintigste-eeuwse variant op de briefwisseling tussen Menno ter Braak en Eddy du Perron? Helaas maakt onze conversatie geen schijn van kans om, zoals die van laatstgenoemde interbelliaanse reuzen, over enkele decennia in een geannoteerde dundruk uitgegeven te worden. Zelfs als wij niet meteen vergeten raken, dan nog zal de (papieren) literatuur tegen die tijd volkomen gemarginaliseerd zijn. Ik zal de annotaties zelf moeten verzorgen.
      
Op De Reactor [de editeur meldt: ‘kritiekensite, 2009 – heden’] lees ik een kritiek-in-briefvorm van Odile Heynders aan ‘Merijn’ [‘Merijn Oudenampsen, promovendus bij Heynders, was in die periode tevens geregeld essayist voor De Groene Amsterdammer (1877 – 2025)’]. Heynders haakt in op de traditie van de intellectuele conversatie omdat haar recensie Bolkesteins boek over publieke intellectuelen behandelt. Daarna klik ik door naar een kerstessay van Marc Reugebrink in De Standaard [‘Vlaamse krant, 1918 – 2018’], waarin Peter Sloterdijk wordt geciteerd. Die herinnert ons eraan dat men ooit geloofde ‘dat grote politieke en economische structuren georganiseerd zouden kunnen worden naar het vriendschapsmodel van het literaire genootschap’.
      
En dan ligt er een cassette voor me: Unica van Lucebert. Dat boek past ongetwijfeld in de traditie die ik net schetste. We kennen Lucebert als de man die in zijn vroegste gedichten de confrontatie zocht met de ‘letterdames’ en ‘letterheren’, ‘gij die in herenhuizen diep zit uit te pluizen daden’. Hier zien we hem anders aan het werk, namelijk als een gelegenheidsschrijver die boekjes met gedichten en tekeningen knutselt voor vrienden. Een van de boekjes is ter gelegenheid van een bruiloft geproduceerd. Zeven van die ‘unica’ zijn compleet bewaard gebleven en nu in facsimile in de cassette heruitgegeven. Het is een onthutsend mooi boek geworden, waarin de lezer de boekjes precies zó in handen krijgt als ze er in werkelijkheid uitzien: het formaat, de manier van binden en de koffievlekken, alles is identiek. Alleen aan het moderne fabriekspapier is te zien dat het om een fotografische herdruk gaat.
      
Als ik in deze laatste dagen van 2011 een eindejaarslijstje van fraaiste boeken uit 2011 zou moeten maken, dan staat Unica op 1. Het ziet er niet alleen schitterend uit, het biedt ook een andere blik op de vroege Lucebert en het voegt pardoes 27 gedichten toe aan het oeuvre. We vangen met dit boek niet alleen een glimp op van hoe de dichter in een kunstenaarsnetwerk functioneerde – een kwestie die in een bijgeleverd essay van Suzanna Héman kort wordt geëxploreerd – maar we zien ook hoe in dit vroegste werk uit de periode 1949-1951 beeld en tekst vloeiend samengaan. Collages, beeldgedichten, ‘emblemen’: van alles komen we tegen in deze multimediale boekjes. Unica geeft canonieke gedichten als ‘horror’ of ‘ik draai een kleine revolutie af’ een nieuwe betekenis. Bovendien zijn er ongepubliceerde gedichten en reeksen, vooral in het boekje Met de hete schim van Diotima alleen, die een centrale plaats in het oeuvre verdienen. Een tweede essay van Piet Gerbrandy brengt gedegen een aantal betekenislijnen aan.
      
Gerbrandy maakt het lezen van het boek eens te meer tot een guilty pleasure door veel van de gedichten sterk autobiografisch te lezen. De acht korte gedichten van Octaaf, een van de boekjes voor Luceberts toenmalige muze Frieda Koch, worden bij Gerbrandy tot een mythologisch getinte geschiedenis over een driehoeksverhouding. Dat baseert hij onder meer op zijn kennis van de ingewikkelde ménage à trois van Koch, haar echtgenoot Bert Schierbeek en Lucebert. Het lijkt me boeiend om met de wolven de legitimiteit van zo’n interpretatie te bespreken. Maar interessanter nog vind ik de fundamentele kwestie of dit boekje niet definitief de dood van de literaire conversatie bekrachtigt. Tegenwoordig moeten we 99 euro neertellen om de historische sensatie van een bibliofiel drukwerkje te kunnen ervaren, terwijl de rol van marginaal drukwerk in de huidige literaire cultuur helemaal is uitgespeeld. Literaire discussies zijn er natuurlijk nog wel, maar ze spelen zich vooral op internet af. Of zie ik nu interessante papieren initiatieven over het hoofd?

Laurens


Voor het volledige artikel: zie de pdf-versie.