Leven op en voorbij de grenzen van het compromis. Verlangende romans van David Nolens en Bernard Wesseling

Verschenen in: Clubsandwich
Auteur: Hans Demeyer
David Nolens, De kunst van het wachten, De Bezige Bij Antwerpen, Antwerpen, 2011.
Bernard Wesseling, Portret van een onaangepaste, Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2010.


‘Dief!’, zou ik als kleine jongen van acht of tien geantwoord hebben op de vraag wat ik later worden wou. Het is een van die verhalen die zo af en toe nog eens de revue passeren aan de familietafel, waarbij ik niet de neiging heb om me te schamen. Ook vandaag nog winnen The Joker of Darth Vader het in mijn populariteitspoll gemakkelijk van Batman of Luke Skywalker. Die adoratie ten spijt, een dief ben ik ondertussen niet geworden. Maar mogelijk leeft mijn wens door via het kritische denken? Kan ik mezelf zo alsnog de illegale sfeer binnenloodsen?
      
In een essay over Bertolt Brechts Baäl verbindt de Duitse dichter Ann Cotten deze onderwereldse figuur immers met een onbaatzuchtig, anarchistisch denken dat zijn ‘rechten probeert af te dwingen’ in onze ‘virtuele wereld waar alles door gevoel en statistieken wordt geregeerd, door communicatieve vaardigheden en gebruiksvoorwaarden’. Cotten gebruikt de figuur van Baäl om de leugens en de normen te vernietigen waarmee deze maatschappij ons omringt. Zo verschroeit hij het kapitalistische verzinsel dat slechts ‘de opsmuk van de winst’ deze wereld ‘draaglijk’ kan maken. Baäl roept op tot oprechte getuigenis, tot een ‘reikhalzen naar schoonheid’, tot liefde die in denken is veranderd.1
      
Maar zelfs op deze manier schiet mijn illegaliteit waarschijnlijk tekort. Ik ben immers al te goed onderlegd in wat Cotten het ‘laveren’ noemt: het schipperen tussen kritisch denken en compromisvol handelen – een beweging waarvan ze zichzelf in dit essay wil ontdoen. Is mijn kritische verhouding tot de wereld op papier geen aflossing van de schuldgevoelens die gepaard gaan met elk compromis dat ik sluit in het dagelijkse leven? Tegelijk werk ik aan een instituut waarin het kritische, vrije denken hoogstens voortvloeit uit verantwoordelijkheidsgevoel, niet uit levensnoodzaak. Het denken beperkt zich tot de theorie terwijl de levensstijl enkele kritische randjes heeft, maar al bij al toch eerder gematigd is.
      
Hier wil ik mij richten op twee recente romans over het dilemma tussen denken en doen, en het kritische potentieel ervan. In De kunst van het wachten (2011) van David Nolens is de levensloop van het hoofdpersonage alvast radicaal te noemen: hij wendt zich af van zijn vroegere, comfortabele bestaan en poogt zich een nieuwe plaats te vinden aan de rand van de maatschappij. In Portret van een onaangepaste (2010) van Bernard Wesseling lijkt een man volledig verstrikt te zijn in de impasse van het non-conformisme.

Voor het volledige artikel: zie de pdf-versie.