Jonge wolven IV: Kinderkiezen bungelend aan een draadje tandvlees. Over Melktanden van Martijn den Ouden en Nu daarentegen van Bernhard Christiansen

Martijn den Ouden, Melktanden, Querido, Amsterdam, 2010.
Bernhard Christiansen, Nu daarentegen, Uitgeverij De Contrabas, Utrecht, 2011.
Download deze tekst in pdf:


Beste wolven,

In de zomer vorig jaar debuteerde Martijn den Ouden bij uitgeverij Querido met de bundel Melktanden. Met de hulp van de Poëzieclub, die besloot deze bundel tot clubkeuze uit te roepen, verscheen in 2011 de tweede druk. Mag dat in poëzieland al bijzonder zijn, in het geval van een debuut is het helemaal uitzonderlijk. Tijd voor de Jonge wolven om hun tanden in deze bundel te zetten, al was het maar omdat het in Den Oudens dichterlijke universum wemelt van de dieren. Zij vervullen de hoofdrollen in de negentien gedichten waaruit de forse openingscyclus ‘Het uit papier gevouwen dier’ bestaat. Ook daarna keren ze veelvuldig terug in de overige zesendertig gedichten die allemaal titelloos zijn.
       De dieren in deze bundel bewonen een vreemde habitat: een ‘handvol herten’ drijft in een rivier, twee dieren vriezen vast in een vijver en een ‘doosje met rupsen’ raakt verloren in de kosmos. Ze zijn uitgerust met afwijkende fysieke eigenschappen (‘van achter dit glas kan je koeien zien stuiven’ en ‘scherven van vogels vliegen op’) of ontsproten aan de rijke fantasie van de dichter. In één gedicht treffen we ‘keilgeiten’, ‘ketskoeien’, een ‘sluierdier’ en de tot mijn verbazing wel degelijk bestaande ‘buidelkatten’ aan. Mededogen lijkt deze dichter in eerste instantie vreemd en dat werkt op zijn minst verfrissend. In sommige gedichten ontstaat een humoristisch effect, bijvoorbeeld in de droogkomische tweeslag: ‘ik heb nog nooit een hert geslagen / ik wandel ook nooit door het bos’. En hoe weinig functioneel het woordspel met de grazige weiden in het volgende gedicht ook is, toch kan ik na de laatste regel een glimlach niet onderdrukken: ‘heb je wel eens zo’n zielig / kalfje zien lopen / in grazen geweide / dat met zijn glanzende oogjes / smeekt om brood met honing // je grijpt gelijk naar de zweep’. Het toppunt van humor is het gedicht dat begint met ‘Lieve vrienden’, en zich laat lezen als een uitnodiging voor een bizar avondje bij de speculaasfabriek waarop men vergast wordt op ‘ongelofelijk veel trekdrop en koffie’. De climax vindt er om 19.15 uur plaats: ‘het kalf zal tot ontploffing worden gebracht’. Om 19.30 uur gaat het gezelschap ‘worsten bakken’ en ‘(hiervoor mogen wij gebruik maken van de speculaasoven)’. Hoewel ik tijdens het lezen van dit gedicht telkens hardop zit te lachen, toont zich hier ook de harde bodem van Den Oudens dierenhumor.
       Vaak worden de dieren in de bundel zodanig gewelddadig bejegend dat de glimlach je op de lippen besterft. Neem de eerste vier regels van dit gedicht dat in medias res begint: ‘bij dit luchtduel met twee honden en een mens / springt de ader in de hals van de poedel // een naar gezicht / nu de mens het dier doodslaat’. En in een van de strofen tussen twee bijtend cynische refreinen (‘wij lachen / ja wij lachen / wij hebben hier veel geld voor neergeteld’) lezen we deze regels: ‘opgewonden / gooit hij honden dood / Derrek de Bruut / in een donkere tunnel’. Wie is deze Derrek? Waarom gooit hij honden dood? Windt het gooien hem op en moeten we in de ‘donkere tunnel’ een doorzichtige freudiaanse metafoor lezen of gooit hij honden dood omdat hij opgewonden is? Het gedicht voorziet niet in een antwoord op die vragen en dendert voort: de eerste strofe na het refrein begint met de crue regels: ‘er worden trechters uitgedeeld / om vier uur is het ganzenvoedertijd’. Om mezelf weer enigszins gerust te stellen blader ik terug naar het wat flauwe gedicht halverwege de eerste afdeling, het enige gedicht waarin het dier het wint van de mens: ‘hij dacht met zijn helm van gras / een bizon om te beuken // ze hebben hem zaterdag teruggevonden // een voet / een oog / en de rest // zijn kleren nog netjes aan stokken // morgen is de stoet’. Net goed?


Willem



       Beste wolven,

       Melktanden ontving ik per post. Toen ik de envelop openmaakte waarin de bundel was verpakt, schrok ik: er zat een scheur in de achterzijde van het boekje, de kaft was gekneusd en de voorzijde van het omslag was gevouwen. Uiteraard baalde ik daar enorm van, maar toen ik de poëzie van Den Ouden eenmaal ging lezen, kreeg de getormenteerde staat van de bundel iets iconisch. De gewelddadigheid van de gedichten, die Willem in zijn brief al treffend beschreef, liegt er namelijk niet om.
       In eerste instantie zie je Den Oudens sadisme – de dichter laat nota bene op Dierendag een dier leegbloeden – niet aankomen. Aangemoedigd door de uitgeverstekst op het achterplat, die – weliswaar waarschuwend voor afgronden en happende soldatenkaken – spreekt over ‘Tedere dieren’ en ‘verkleinwoordjes’, ben je als lezer geneigd de titel Melktanden te lezen als een verwijzing naar de onschuldige kinderjaren. Den Oudens poëzie lokt echter een andere connotatie van het melkgebit uit: die van bloederig uitvallende tanden en fietsenrekken, die van kinderkiezen bungelend aan een draadje tandvlees. De lezer die zo naïef is te denken dat poëzie iets lieflijks is, komt hier bedrogen uit.
       Het fascinerende van Melktanden is intussen niet zozeer dat de dichter een gewelddadig universum oproept, maar dat de gedragingen van zijn personages veelal volstrekt ongemotiveerd zijn. Hun sadisme wordt geobjectiveerd in die zin dat de dichter geen psychologische of morele reflecties biedt. Niet voor niets weet Willem zich geen raad met de motieven van Derrek: waarom gooit die Bruut in een tunnel honden dood? Den Ouden laat het met liefde in het midden, want juist op die manier weet hij de lezer te choqueren.
       Een mooi voorbeeld van dit procedé vinden we in de bundelafdeling ‘Een ijzeren regen’, waarin de dichter tweeënhalve pagina lang de regel ‘ik mag geen schoten lossen op een gezond gezin’ heeft afgedrukt. Het is mogelijk dit gedicht te interpreteren als een reeks van 85 strafregels, die nogal wat vragen oproepen. In de eerste plaats ontbreekt er achtergrondinformatie: wat is er precies gebeurd? Heeft het gezin het schietincident overleefd? Is er eigenlijk wel geschoten of moeten deze regels dat voorkomen? In de tweede plaats zijn er eerder psychologische vragen: wat bracht deze ik-figuur – een jongetje? – ertoe schoten te (willen) lossen op een gezond gezin? Helpen de strafregels hem voort? Ten slotte zijn er de vragen op moreel niveau, die ik het interessantst vind: mag je soms wel schoten lossen op een ongezond gezin? Waarom laat je de schutter strafregels schrijven, terwijl je als leerkracht ook kunt kiezen voor een beredeneerd essay dat de drijfveren van je zorgleerling blootlegt?
       Ook als je het gedicht niet opvat als een reeks strafregels, roept het vele vragen op. Iemand zou die regels bijvoorbeeld voor zich uit kunnen prevelen als uiting van posttraumatische stress, als bezwering of als morbide liedje. Den Ouden geeft een minimum aan informatie en roept een maximum aan vragen op, die de lezer meestal dwingen na te denken over zijn eigen psychologie en ethiek. Doordat de poëzie zo humoristisch is, heeft dat soms een confronterende werking. Net als Willem moest ik erg lachen om de koe Berta (‘Zonde. We zullen haar missen.’) die tot ontploffing wordt gebracht, maar daarbij realiseerde ik me wel hoe zwartgallig mijn humor eigenlijk is. Ook het gedicht over de dakloze man die de dichter om geld vraagt (‘kunt u een muntje missen voor de opvang meneer / (…) / dank u wel meneer god is u genadig meneer’) liet mij niet onberoerd. Den Ouden laat daarin genadeloos zien dat altruïsme en egoïsme elkaar nauwelijks ontlopen:

      
– zo kocht ik in drie weken tijd een prachtige zetel in de hemel voor mijn ziel
       nabij een vijver
       een betraand bruggetje van kant tot kant –

       met mijn drie euro vijftig is hij in een koude nacht door toedoen van een over
       zijn lichaam denderende tram naar zijn vader gegaan

       houdt mijn plaatsje bezet

      
Veel meer dan registreren doet Den Ouden hier niet. Maar de lezer voelt tot diep in zijn buik: dit geldt ook voor mij. Hoe absurd Den Ouden soms ook dicht, hij verliest zelden het contact met zijn publiek. Maakt dat de beste dichters?


      
      
Jeroen



Beste wolven,

Ik denk niet dat Den Ouden in het bovenstaande gedicht alleen registreert: daarvoor speelt de gedachte over de vooralsnog onzichtbare hemel een te prominente rol. In andere gedichten stelt de ik-figuur zich dan weer te subjectief op om een neutrale kijker te zijn. Wel zie ik overeenkomsten met het werk van de scherpe observator Erik Lindner, die zich gaandeweg zijn oeuvre steeds nadrukkelijker in de coulissen ophoudt.
       Een passage die een vergelijking tussen de beide dichters goed mogelijk maakt, staat in de al genoemde afdeling ‘Een ijzeren regen’. Deze relatief korte cyclus van elf gedichten is exemplarisch voor de hele bundel. De zes oorlogsgedichten hierin behoren tot de sterkere staaltjes lyriek die Den Ouden voor ons in petto heeft. Lezen we eerst Lindner: ‘Jongens rennen langs de weg hun ellebogen in de zij / onderarmen breeduit zwaaiend / door een megafoon schalt het gebed over de daken’ (Terrein, 2010). En dan Den Ouden: ‘het is pijn die hen bedwelmt / daarom rennen kinderen in Mekka met geheven armen’. Waar Lindner een dreigende sfeer oproept doordat hij louter registreert en de lezer zelf verbanden laat leggen, geeft Den Ouden een causaal verband aan: de kinderen rennen met geheven armen vanwege de pijn. Ik zie de beelden die Lindner presenteert op mijn netvlies, terwijl de regels van Den Ouden door hun expliciete karakter onherroepelijk onder mijn huid gaan zitten.
       Dit effect treedt nog sterker op bij lezing van het tweede gedicht van de cyclus, dat opent met de regels: ‘zo majoor zo badgast / de bloedgroeten uit Afghanistan’. Krachtige regels die in mijn hoofd blijven rondspoken. Ondersteund door het zeer gecondenseerde klankspel haken oorlog en strandvakantie onontwarbaar in elkaar. Zo ben je majoor en zo word je als badgast op een bloedbad vergast. Of: op het neerbuigende ‘zo majoor’ van de badgast geef je je grimmige groeten aan de onwetende toerist. Of: je had gedacht dat de vredesmissie (!) in Afghanistan een strandvakantie zonder zee zou zijn. Maar na tien jaar moet je concluderen dat de aanleiding voor de inval inmiddels wél een zeemansgraf gevonden heeft, dat er meer dan tienduizend mensen daar zijn gesneuveld en een tienvoud daarvan gewond is geraakt en dat er voorlopig geen uitweg in zicht is. Als Jeroen dit bedoelt met het behouden van contact met het publiek, ja, dan spreekt hier een goede dichter. Een dichter bovendien die als een van de weinigen in de Nederlandstalige poëzie de oorlog thuisbrengt.
       Een andere dichter die dit doet, is Bernhard Christiansen, die in zijn debuutbundel Nu daarentegen het gedicht ‘Enkele feiten over de oorlog’ opnam. Ook hier lopen verschillende elementen door elkaar. Bij de feiten over de oorlog behoort niet alleen dat mensen zich van elkaar laten scheiden en door bussen worden afgevoerd, of dat ‘de menselijke resten’ verzameld worden door ‘opruimdiensten in oranje pakken’, maar ook dat ziekenhuizen wachtlijsten hebben, daklozen op straat lopen en het naast kerken stinkt naar urine. Het gedicht geeft het onbehaaglijke maar terechte gevoel dat de oorlog niet ver van ons bed woedt maar dat wij zelf in oorlog zijn. En vrede kan er volgens de laatste strofe alleen door een posthumaan toeval ontstaan: ‘Als er ooit vrede komt / dan zal die komen door verkouden apen / die niet weten wat zij doen / wanneer zij zwaaien met hun witte zakdoek’. Jeroen, heeft deze bundel je ongehavend kunnen bereiken of raakte hij verdwaald tijdens oorlogshandelingen?


Willem



       Beste wolven,

       De oorlog is niet het enige motief dat de bundels van Den Ouden en Christiansen met elkaar verbindt. Ook in Nu daarentegen passeren immers enkele zielige dieren de revue. Waar Christiansens kafkaëske ‘Zelfportret als kever’ (‘Geknakte benen / bolle buik / vlakke adem / doffe oogjes // Maar de sprieten zijn / uitstekend / en het pantser / glimt en spiegelt!’) nog dicht bij de gezonde staat van het organisme blijft, wordt zijn bundel ook bevolkt door dieren die je verwacht in een Egyptische dierentuin: er zijn ‘kippen zonder veren’ die in gezelschap van ‘drie zieke bomen’ en ‘dronken zwervers’ scharrelen rond ‘een oude bron met heel vies water’. Daarnaast maken we kennis met ‘Kameel, 38 jaar oud, uitgedroogd’, die met tranende ogen en een slappe bult vergeefs op zoek is naar een waterput.
       Je kunt je afvragen wat erger is: Christiansens realistische schets van de schrijnende kippen, of Den Oudens absurdistische beeld van in scherven springende vogels. Hoewel de dieren in Nu daarentegen zich beslist beter lenen voor een spotje van de Dierenbescherming, vind ik Den Oudens ongemotiveerde geweldplegingen veel boeiender. Ik denk dat dit komt doordat de poëzie in Melktanden in hoge mate desautomatiserend is, om die formalistische term weer eens te gebruiken. Waar Den Ouden gedichten schrijft die vaak een afwijkend beeld schetsen van onze werkelijkheid, blijft Christiansens werk dichter bij de wereld zoals wij die kennen. Neem de rol van de koe: terwijl zij in Nu daarentegen in marsepeinen vorm door Sinterklaas cadeau wordt gedaan of juist wordt bemind door de boerenvader van de ik-figuur – herkenbaarheid is troef –, blaast Den Ouden haar genadeloos op bij een speculaasfabriek.
       Een ander verschil tussen Den Ouden en Christiansen betreft de mate waarin de dichter aanwezig is in zijn werk. Willems nuancering van mijn uitspraak over Den Oudens zwervergedicht is terecht, maar dat neemt niet weg dat de auteur van Melktanden zich vaak op de achtergrond houdt. De parallel met Erik Lindner vind ik dan ook niet zo vergezocht. De poëzie van Christiansen is echter van een andere orde: hoewel ook in Nu daarentegen de nodige nuchtere observaties te vinden zijn (‘Vandaag heerst weer zuidoosterstorm / bomen liggen kriskras op de weg / daken worden van de huizen gerukt / fietsen vliegen door de lucht / auto’s worden de zee in gesleurd / en lijken dobberen door straten’), presenteert deze dichter zich ook uitdrukkelijk met de zin ‘ik ben mijn eigen bundeltje’ en wijdt hij een afzonderlijk gedicht aan de foto uit zijn kinderjaren die het omslag siert.
       Zulke vormen van zelfprofilering passen goed bij een dichter als Christiansen, die er als grote naam in het slamcircuit aan gewend is zichzelf te presenteren. In Nu daarentegen zien we de droogkomische performer ook terug in verschillende gedichten waarin de Nederlandse politiek vóór het kabinet-Rutte op de hak genomen wordt. Zo is er een gedicht waarin Christiansen de rechts-populistische Rita Verdonk op haar nummer zet (‘er zit een gezin achter je aan / dat jij al lang vergeten bent / een lelijk kindje dat jouw naam roept / schrijnend’). Of een gedicht waarin de dichter een doorgedraaide tandarts een dodelijke aanslag laat plegen op PvdA-coryfee Ad Melkert. En een waarin voormalig ‘president’ Jan Peter Balkenende verdrinkt als de zeespiegel stijgt tot ver boven Amsterdam: ‘die arme man / verdronken toen hij poogde om / zijn moeder nog te redden / dit soort van daadkracht / hadden wij nooit van hem verwacht’. Hier raakt Christiansens poëzie aan cabaret. Wat mij betreft boet Nu daarentegen daar aan kracht in. Willem, heeft de Nederlandse poëzie behoefte aan dit soort Koefnoenkritiek, of is dit goedkoop scoren?

      
      
Jeroen



Beste wolven,

Uit Jeroens vergelijking met het satirische programma Koefnoen maak ik op dat hij geen fan is van de typetjes die Paul Groot en Owen Schumacher tot 2011 week na week aan het Nederlandse televisiepubliek presenteerden. Hoewel ik vaak wel kon lachen om de sterke imitaties van de heren, ging het me na verloop van tijd vervelen en het lijkt me een strafexercitie om hun teksten op papier te moeten lezen. Jeroens vergelijking met Christiansen is dan ook zo gek nog niet.
       Voordat ik voortga, moet ik eerst een belangrijk voorbehoud maken. Toen ik onlangs tijdens het Huis van de Poëzie in Utrecht het Daniil Charms-optreden van Bernhard Christiansen bijwoonde, was ik zwaar onder de indruk. Voor mij was dit het beste literaire optreden sinds ik Antoine Boute op Khlebnikov Carnaval 2009 zag en ik besloot direct bij de dichter zelf de bundel te bestellen. Mijn verwachtingen waren hooggespannen. Toen de bundel binnenkwam, heb ik in één woeste leessessie alle gedichten na elkaar gelezen en ik was opnieuw enthousiast. Wat een grappige, vaak absurde gedichten! Wat een interessante en poëtische manier om op de actualiteit te reageren! Kortom: ik amuseerde mij kostelijk.
       In de maanden die volgden, herlas ik de bundel verschillende malen. Gaandeweg mijn lectuur nam mijn twijfel toe en mijn leesplezier af. Deze gedichten overleven niet op papier. Hiermee zeg ik echter niet dat het slechte poëzie is en de vraag die Jeroen zich stelt over ‘goedkoop scoren’ beantwoord ik toch negatief: we hebben het over een ander soort poëzie. Dit zijn gedichten die zich beter in de tijd voltrekken dan op papier – waar de lezer altijd de zandloper in handen heeft. Hun tijdgebondenheid laat zich uiteraard ook gelden in de gedichten die de actualiteit betreffen: gedichten over Verdonk, Balkenende, Melkert en Fortuyn zijn simpelweg gedateerd. Ik ga liever naar een schimmige Utrechtse kroeg om me te laten meevoeren door een bevlogen Christiansen die poëtisch reageert op het nieuws van nú dan over acht jaar zijn van nutteloze enjambementen voorziene bedenkingen terug te moeten lezen.
       Het enige gedicht in deze bundel dat ik blijf lezen is ‘De ballade van de etterbakken’. Dit gedicht beschrijft de corrumperende werking van macht op een rancuneuze bevolkingsgroep en de gevaarlijke consequenties van uitsluitende wij-gevoelens. Nadat de koning der etterbakken tot leider verkozen is, stelt het ‘wij’ dat iedereen er beter van wordt ‘en wie er niet beter van wordt / is geen echte etterbak / en kan maar beter het land verlaten / of stilletjes gaan klagen / en wachten – wachten – wachten’, waarna de situatie zich ten gunste van ‘de zeurpieten’ keert, het ‘wij’ zijn nieuwe koning volgt en de etterbakken beter het land kunnen verlaten ...
       Misschien is het overleven van herlezing na herlezing na herlezing van gedichten wel een van de belangrijkste criteria die ik hanteer om poëzie (op papier) te beoordelen. Als ik op basis daarvan zou moeten kiezen tussen Christiansen en Den Ouden, dan is het pleit snel beslecht. Alleen al het allereerste gedicht uit Melktanden kan ik blijven lezen:

      
van de honderd ramen
       gedraagt er zich een
       als een uit papier
       gevouwen dier

       er brandt nooit licht

       achter het uit papier
       gevouwen dier
       brandt nooit licht

       alleen vandaag
       stoft een tengere vrouw
       de vleugels

       dat hoor je gebeuren
       de vleugels van dit dier


We beginnen met een stelling over honderd ramen (in een gebouw?) waarvan er een zich nogal apart ‘gedraagt’: ‘als een uit papier / gevouwen dier’. Hoe doe je dat eigenlijk, als raam? In de derde strofe blijkt het raam een uit papier gevouwen dier te zijn. Of zijn we van locatie veranderd? Bevindt het raam zich op een andere plek dan het eigenlijke uit papier gevouwen dier? Vervolgens blijkt de dichter deze situatie tot in de eeuwen der eeuwen bestudeerd te hebben en wonen we een unieke gebeurtenis bij: ‘alleen vandaag / stoft een tengere vrouw / de vleugels’. Van het dier? Van het raam als dier? Of zijn het de vleugels van een gebouw? Plots liggen we met ons oor dicht op de scène en horen ‘de vleugels van dit [?] dier’ gebeuren. Fascinerend. Tegelijkertijd merk ik dat ik meer vragen stel aan dit gedicht dan ik er interpreterend over beantwoord. Is dat ook een kenmerk van sterke poëzie?


Willem



       Beste wolven,


      
Willems uitspraak dat Christiansens gedichten – een uitzondering daargelaten – niet overleven op papier, lijkt zo onderhand in een traditie te kunnen worden ingepast. Ik lees vaak woorden van soortgelijke strekking, wanneer dichters met slamsucces gerecenseerd worden. Dirk de Geest schreef naar aanleiding van Een twee drie ten dans van Eva Cox bijvoorbeeld dat ‘de podiumeffecten niet alle “vertaald” werden naar het druksel dat deze bundel wil zijn’, terwijl ook in kritieken over de bundels van Hagar Peeters vaak is opgemerkt dat sommige gedichten eerder ‘thuishoren op een podium’ dan in een papieren bundel. Zelf liet ik me ook herhaaldelijk leiden door het onderscheid tussen ‘slammen’ en ‘schrijven’: in recensies over Lucas Hirsch en Kila&Babsie bijvoorbeeld.
       Poetryslams nodigen critici uit een onderscheid te hanteren tussen het gesproken en het geschreven woord, doordat ze gedichten opleveren die niet rijmen met het geijkte beeld dat wij van poëzie hebben. Ondanks de groeiende populariteit van niet-papieren poëzie – audiogedichten, digitale gedichten, filmpjes, slams, het werk van Rebecca Lenaerts, Han van der Vegts ruimteopera Exorbitans – blijven recensenten geneigd dichters te beoordelen aan de hand van een ‘autonomistische’ poëtica, waarin afwijkend taalgebruik en multi-interpretabiliteit toverwoorden zijn. Sommige critici willen zelfs zo ver gaan dat ze slamgedichten niet als poëzie willen betitelen, maar als een vorm van spoken word. Ik denk bijvoorbeeld aan Arie Altena, die eens pleitte voor slam-dvd’s, onder het mom: ‘[I]n literatuur draait het niet om de voordracht, maar om de tekst die op papier moet “staan”.’
       In het geval van Christiansen ben ik het geheel met Altena eens dat een dvd hier beter op zijn plaats zou zijn dan een bundel. Willems terechte opmerking dat deze poëzie stukgaat bij herlezing – zowel door haar gedateerdheid als door Christiansens ongelukkige dichttechniek – is daarvoor een belangrijk argument. Daarbij komt dat in de lectuur van een bundel als Nu daarentegen het meest distinctieve aspect van Christiansens slampoëzie verloren gaat, namelijk zijn performance. Het gedicht ‘Schrijnend’ (over Rita Verdonk) ontleent zijn kracht vooral aan Christiansens imitatie van deze politica, maar zonder de juiste mimiek, melodie en stemdynamiek blijft er van regels als ‘wanneer je achter een computer zit / ben jij de eerste die met virussen besmet raakt’ weinig over. Deze woorden weten, om met Altena te spreken, niet op papier te ‘staan’.
       Dat wil echter geenszins zeggen dat goede literatuur zich beperkt tot wat op schrift verschijnt. Niet voor niets bewaart Willem zulke goede herinneringen aan de optredens van Christiansen en Boute. Misschien schuilt het belangrijkste kenmerk van goede poëzie uiteindelijk wel in de affecten die zij oproept. Naar aanleiding van literaire kunst stelde Gilles Deleuze zijn lezers eens de vraag: ‘Comment ça fonctionne pour vous?’ Voor hem is literatuur een ‘expressiemachine’ die via de stijl van de auteur tot verschillende aan elkaar gelieerde affecten kan leiden: kippenvel, lachbuien, begrip, woede. Een tekst die geen enkele affectieve reactie oproept, werkt voor Deleuze niet: ‘Si rien ne passe, prenez donc un autre livre.’ Brengt de tekst echter wel iets teweeg, dan is dat voor de lezer een vertrekpunt om de tekst in verband te brengen met andere processen in het leven en de werkelijkheid.
       Tijdens deze briefwisseling hebben Willem en ik onze affecten regelmatig een rol laten spelen. De lectuur van Melktanden heeft iets met ons gedaan: bij Willem gingen Den Oudens regels onder zijn huid zitten, terwijl ik ze tot in mijn buik voelde doordringen. Ook Christiansen is tot zoiets in staat, alleen heeft hij daarvoor zijn stem nodig. Wie in een papieren bundel de affecten van het leespubliek wil beroeren, moet bogen op meer dan humor. Hij moet zich in verbinding stellen met de beschouwer door vervreemdende visies aan te reiken, door bij elke lectuur vragen te blijven oproepen, door de lezer uit te dagen tot morele overwegingen. In die zin leidde de uitgave van Christiansens poëzie bij mij nooit tot een voldaan gevoel. Andersom verwacht ik echter dat Den Ouden mij minder dan Christiansen zou beroeren als ik achter elkaar naar hun poëzie zou luisteren. Hoewel: ook op het podium moet koe Berta letterlijk spetteren.


       Jeroen