Lege portretkunst voor een beademde spiegel. Over De val van vrije dagen van Stefan Hertmans

Auteur: Jeroen Dera
Stefan Hertmans, De val van vrije dagen, De Bezige Bij, Amsterdam, 2010.
Download deze tekst in pdf:


Op 4 oktober 2010 was Stefan Hertmans te gast in het Vlaamse radioprogramma Joos om te spreken over zijn nieuwe bundel De val van vrije dagen. In de hedendaagse zapcultuur, waarin programmamakers massaal inspelen op de behoefte aan hippe, snelle en sociale media als Twitter en Facebook, is het intrigerend om op de radio eens een dichter een lans te horen breken voor de traagheid van de poëzie. Voor Hertmans is tweeten een vorm van communicatie die louter dient om vluchtige ervaringen onder woorden te brengen: dit is wat ik doe op plaats zus, dat is mijn gevoel op moment zo. Daartegenover staat de dichtkunst, die hij definieert als ‘een trage tijdstroom die onder de ervaringen ligt’.
       In die trage tijdstroom gaat het om het duiden van processen die het niveau van de directe ervaring overstijgen. Als voorbeelden noemt de dichter onder meer het verwerken van verdriet en het doorgronden van de ziel. Dit zijn vrij algemene thema’s die het repertoire van de poëzie in brede zin beheersen. Maar Hertmans heeft het in Joos ook over een trage ervaring die meer voorbehouden lijkt aan dichters die aan het sluitstuk van hun oeuvre bouwen: het besef laten doordringen dat je ouder wordt. Dat Hertmans juist dit besef in een interview op de radio verwoordt, is interessant: het toont dat hij zich als dichter en als mens bezint op de eindigheid van het bestaan. Niet voor niets spreekt hij in De val van vrije dagen over ‘het slijten van verloren tijd’.
       Dat de onontkoombare dood Hertmans bezighoudt, bleek eerder al uit de titel die hij zijn verzamelde gedichten 1975-2005 heeft meegegeven: Muziek voor de overtocht. Hierin staat de overtocht voor de oversteek van de Styx en de muziek verwijst naar de gedichten die Hertmans daarbij begeleiden. Ook tegenover Ruth Joos zinspeelt de dichter op de relatie tussen poëzie en de dood. In haar programma spreekt hij de hoop uit dat mensen zich uiteindelijk zijn beste gedichten zullen herinneren. Via zijn dichtkunst hoopt hij de tijd het hoofd te bieden, in navolging van de meesters uit de Italiaanse renaissance die hij zo bewondert. Een schilderij van Carpaccio heeft niets te vrezen van het slijten van verloren tijd, meent hij: ‘Er gaat een eeuwige jeugd voor je open.’
       Het voert te ver om te stellen dat Hertmans met zijn gedichten zo’n eeuwige jeugd nastreeft. Daarvoor is zijn poëzie te zeer doordrongen van het besef dat de mens niet aan zijn einde ontkomen kan. Toch weigert de dichter zich te beklagen over zijn lot: in De val van vrije dagen voert hij de dood niet op als een vernietigend slotstuk, maar omarmt hij haar op een constructieve wijze. In het vervolg licht ik die stelling verder toe, waarbij ik Hertmans volg als hij opgaat in de vloed, herrijst als het godje Frisbee en uiteindelijk alleen nog maar zijn stem overheeft.

Voordat de draden knappen
De poëzie van Stefan Hertmans is veelvuldig geprezen om haar rijkdom aan beelden en thema’s. Die grote variëteit leidt er soms wel toe dat lezers veel moeite moeten doen om er een heldere lijn in te ontdekken. Bart Vervaeck heeft de problematiek in een beschouwing over de bundel Goya als hond (1999) helder verwoord: ‘[D]e gedichten vormen een zee van beelden die je van de ene tekst naar de andere voeren, tot je een aantal rode lijnen begint te zien, die ervoor zorgen dat je de stroom toch wat naar je hand kunt zetten.’
       In het geval van De val van vrije dagen valt het met die zee van beelden wel mee. De bundel is in hoge mate coherent dankzij enkele prominente leidmotieven: de tijd, het verdwijnen, de dood en de stilte. Al in het openingsgedicht snijdt Hertmans deze sombere thematiek aan door middel van een verzameling rake typeringen: turend naar de sterren liggen mensen ‘verspreid als scherven / van toekomstige verleden tijd’. In de Melkweg is sprake van ‘groeiende duisternis’; de sterrenkijkers zijn ‘nog even een oeroud geheel, voordat / de draden knappen’ en de stok die ‘op onze / levens slaat en ons van dorheid redt’, doet dat nog ‘voor even’. De lezer weet onmiddellijk dat het Hertmans menens is: het noodlot ligt hier gevaarlijk dicht op de loer.
       Dat gegeven is voor de dichter echter geen aanleiding voor verzuchtingen of verzet. In De val van vrije dagen grijpt hij juist de mogelijkheid aan om zo nuchter mogelijk over de eindigheid van het bestaan te reflecteren. Soms laat hij het bij een terloopse observatie, zoals in ‘Voor de regen’, waarin hij de voortschrijdende geschiedenis aanschouwt: ‘Tijd wappert / als een vlag om oude torens / en verlaten loodsen.’ In andere gevallen ontvouwt hij een visie op de menselijke existentie die de nietigheid van het leven vooropstelt, waardoor ook de dood gerelativeerd kan worden. ‘Het leven is een pauze, / die doorgaat voor de / hoofdmoot van het stuk’, schrijft Hertmans enigszins ironisch in ‘Het laatste spel’. Ook in ‘Het grote spreken’ benadrukt hij de betrekkelijkheid van het leven: ‘wat het zegt is nonsens / voor de grote zin / die nooit begint.’


Lees meer in BabelGium.