Jonge wolven III: En kromt de baan zich verder. Over Peggy Verzetts Vissing en Ruth Lasters' Vouwplannen

Ruth Lasters, Vouwplannen, Meulenhoff | Manteau, Antwerpen/Amsterdam, 2007.
Peggy Verzett, Vissing, Querido, Amsterdam, 2010.
Download deze tekst in pdf:


Beste wolven,


Ledematenpoëzie bestaat. Dat schrijft Peggy Verzett althans in haar bundel Vissing (2010). Het lijkt mij niet gek dat juist Verzett zo’n concept in het leven roept: haar gedichten zijn zulke bonte collages van beelden, dat het lijkt alsof de dichteres een granaat onder de taal heeft gelegd die de woorden als armen, benen en rompen over het papier slingert. Neem bijvoorbeeld deze strofe uit een gedicht dat begint met de retorische vraag ‘is het nog ver distant maria?’:

       danseressen van de tel op mijn hoeven (mijn élèves) tellen
       je grote rijen mensentanden
       in een room with a view met een merantihouten vloer
       alle sandalen in verticale richtingen vloeien

Als ik de strofe lees, stel ik me van alles voor: een dichteres met hoeven in plaats van voeten, danseressen die in een enorme mond turen terwijl ze ritmisch op het hoefgetrappel bewegen, en dat alles in een hotelkamer waarin hordes sandalen naar beneden druipen als waterdruppels van een stalactiet. Die bizarre voorstelling intrigeert me, maar hoezeer ik ook mijn best doe om haar te doorgronden, Verzett heeft zoveel beelden over elkaar heen geschoven, dat ze niet samenvloeien in één overkoepelend lichaam. De dichteres heeft gelijk: ledematenpoëzie bestaat.
       Nu levert dit gegeven grote problemen op. Met name in de literaire kritiek, die naast een evaluerende ook een beschrijvende en analyserende functie heeft, heeft men moeite het werk van Verzett te duiden. Haar debuutbundel Prijken die buik (2005) werd gekarakteriseerd als ‘ondoorgrondelijk’ en ‘gesloten’, waardoor veel recensenten noodgedwongen hun toevlucht zochten tot de biografie van de auteur. Aangezien Verzett ook actief is als beeldend kunstenares, lag het voor de hand haar poëzie te omschrijven in termen van een ‘taalschilderij’: in haar gedichten vervangt de dichteres haar doek door schrijfpapier en haar verf door woorden.
       Hoewel ik vind dat de term ‘taalschilderij’ het werk van Verzett tekortdoet – je zou haast gaan denken dat de dichteres ons niets te vertellen heeft – kan ik er niet omheen dat haar poëzie zeer sterk is gericht op het beeldende. Ook in Vissing zijn de verwijzingen naar het geschilderde talrijk: ‘je gezicht is een fresco geworden / van een italiaanse school’, dicht ze bijvoorbeeld, en elders passeert ‘een stilleven eigenlijk van ach de schaars geklede meisjes aan de toog’. Zulke kunstwerken, die een herkenbare werkelijkheid verbeelden, stroken echter geenszins met de ontsporende beeldtaal waarmee Verzett zelf werkt.
       Maar hoe zou je de stijl van de dichteres dan wel typeren? Als ik de poëzie van Verzett lees, heb ik steeds het gevoel dat ik een collage van surrealistische schilderijen bekijk. Om nog even terug te komen op de strofe die ik eerder citeerde: de vloeiende sandalen hadden makkelijk door Dalí geschilderd kunnen zijn; de gehoefde dichteres door Ernst. Zo zijn er wel meer regels die je als surrealistisch zou kunnen typeren: ‘dat er rode poon hangt aan de horizon’, bijvoorbeeld, of ‘schaduw duwt een wolk om / de ronde openhangende levensmonden’, of de ledematenregel ‘ik zie u met veel armen, lichamen, monden en ogen’. Hoe origineel zulke beelden ook zijn, en hoe aanlokkelijk irrationeel hun werking ook is, Peggy Verzett stapelt in Vissing zóveel onsamenhangende beelden op elkaar, dat het geheel in complete waanzin dreigt te ontaarden. Als ik de vergelijking met de surrealistische kunst doortrek, benadert de dichteres mijns inziens de drippings van Jackson Pollock, in die zin dat zij de taal zo ver laat uitlekken dat er uiteindelijk niets meer te herkennen valt.
       Nu vraag ik me af: is dat erg? Ben ik, ondanks mijn voorkeur voor wat ook wel postmoderne dichters worden genoemd, zo gehecht aan overzichtelijkheid dat ik niet voldoende opensta voor een bundel als Vissing? Of vind ik dat Verzett te ver gaat met haar ‘woorddansen’, zoals ze haar gedichten zelf lijkt te omschrijven? Voorlopig verdwijn ik, om de dichteres te citeren, ‘in de open mond van de tandvleesavond’.

Jeroen



       Beste wolven,

       Jeroens vraag over de problemen van Verzetts ‘surrealistische’
       werkwijze kan ik misschien het beste beantwoorden door terug te keren
       naar mijn eerste leeservaring van Vissing. Mijn verwachtingen waren
       hooggespannen: ik herinnerde me Verzetts debuut Prijken die buik als
       zeer sterk, en Vissing beloofde heel wat poëzie voor mijn geld – de
       bundel is zowat drie keer zo dik als het debuut. Het lezen van de
       inhoudsopgave was al een belevenis:

              kakadoris lepelt                                                        85
              je lampionnenman, je loevende logé        92
              de lendenen worden verlaten                        93
              van het openbreken van tonijnen                 94
              lieve mevrouw maatjesharing                       96

       Hier zit alles in wat poëzie mooi kan maken: spannende woorden
       (kakadoris, loevende), overdadig klankspel met de letter l, boeiende
       woordvelden (tonijnen   maatjesharing, kakadoris – lampionnenman
       mevrouw). Je hoeft er het gedicht bijna niet meer bij te lezen, want
       daarin zie je precies dezelfde poëtische trucs terug. Neem ‘kakadoris
       lepelt’:

              kakadoris lepelt
              vangt, lepelt

              de lepel fluistert naar
              de lade in mijn geest
              waarvan ik ben geweest
              een haler van zuiver water
              hoe op gepaste wijze mijn –

       Alles is er weer: herhaling, klankspel, rijm zelfs, en woordspel. Naast
       het ‘vangen’ en ‘lepelen’ plaats ik in mijn hoofd het woord ‘hengelen’:
       een kakadoris is namelijk een marktkoopman, waardoor ik in het
       gedicht een zoektocht lees van een man die publiek wil binnenhalen.
       Maar als ik deze nog vage verbintenissen voor mezelf scherper wil
       krijgen, dringt de rest van het gedicht zich al aan me op. Prachtige
       regels zitten ertussen: ‘de stem klonk klote als een fusie’, ‘de maan joeg
       en ging heen / met een been in de mond’, en dat gaat zo nog een goeie
       zes pagina’s verder. De vondsten zijn heerlijk in hun krankzinnigheid,
       maar het is te veel, veel te veel. Wat voor dit gedicht geldt, gaat ook op
       voor de bundel als geheel: doordat het zo’n overvloed aan talige
       botsingen, associaties en ongerijmdheden presenteert, is het mij als
       lezer bijna onmogelijk er chocola van te maken. Lezen in Vissing vond
       ik dan ook doodvermoeiend; murw gebeukt legde ik het boek na een
       aantal pagina’s weer neer.
              Hoe anders was mijn leeservaring van Verzetts debuutbundel
       Prijken die buik. Dat is juist een heel helder boekje. Nu ik het weer eens
       opsla, valt me op hoe dun de bundel is en hoe beknopt de gedichten. De
       afzonderlijke regels of strofes hadden in Vissing kunnen staan, maar
       omdat de teksten meestal korter zijn, vragen ze minder concentratie en
       uithoudingsvermogen van de lezer. Daar komt bij dat bijna alle
       gedichten in het debuut in reeksen zijn ondergebracht: ‘Prior’ (zes
       gedichten), ‘Hazen’ (zes), ‘Van der Hummes en anderen’ (vier), ‘Nadag’
       (zes), ‘Hond’ (zes). Slechts vijf gedichten staan apart. De reekstitels
       leveren vaak aanwijzingen voor de interpretatie; zo speelt de prior in
       de eerste reeks een structurerende rol en worden de woordspelletjes
       leuk doordat je die achtergrond hebt: ‘ik hoor “Pri” / uit de serre schril
       / waar is de vogel nou? / “Pri”’.
              Zulke aanknopingspunten ontbreken in de meeste verzen in Vissing.
       Er zitten wat thematische constanten in het boek, zoals de verwijzingen
       naar vissen, maar die komen te zelden voor om echt houvast te geven
       tijdens het lezen. Toch is er een helder afgebakende reeks of afdeling in
       de bundel: ‘School’. De gedichten daarin zijn korter en midden op de
       pagina geplaatst, waardoor de tekst rustiger oogt. Ook hier wemelt het
       van de over elkaar heen buitelende beelden, maar binnen het
       ‘school’-frame worden ze bij elkaar gehouden en dragen ze bij aan een
       narratief: een terugblik op een geïdealiseerd verleden. Er zijn ook
       repeterende elementen: het platteland wordt met de zee
       gecontrasteerd en Edward Hopper wordt vaak genoemd.
      
       Dit is een van de hoogtepunten van de bundel, vind ik. Het roept de
       vraag op of Verzett niet veel overtuigender was geweest als ze meer
       darlings om zeep had geholpen en Vissing met twee derde had
       ingekort. Om op de vraag van Jeroen terug te komen: de poëzie van
       Verzett is misschien niet per se te fragmentarisch of onoverzichtelijk,
       maar ze werkt vooral op de korte baan.

       Laurens


Voor de volledige tekst: download de pdf.