De dichter als rudimentair orgaan. Over Bij eb is je eiland groter van K. Michel

Verschenen in: En/en
Auteur: Jeroen Dera
K. Michel, Bij eb is je eiland groter, Augustus, Amsterdam, 2010.
Download deze tekst in pdf:


1

In 1991 leverde K. Michel een bijdrage over Hans Faverey aan de bundel ‘In een bezield verband’: Nederlandstalige dichters op zoek naar zin, die onder redactie van Wiel Kusters verscheen bij uitgeverij Gooi en Sticht te Baarn. In deze tekst stelde Michel een kernpunt uit Favereys poëtica aan de orde, namelijk dat de dichter via zijn poëzie probeert om ‘het verloop van de tijd te bezweren door zijn wijze van bewegen na te bootsen’. De idee dat Faverey in zijn gedichten de tijd probeert stil te zetten, een missie die voortkomt uit zijn verzet tegen de dood, is wijdverbreid in de interpretatiegeschiedenis van deze hermetische dichter. Met zijn opmerkingen over Favereys drang om de voortschrijdende tijd op de staart te trappen, verdient Michel dan ook geen prijs voor originaliteit. Toch valt zijn bespiegeling wel degelijk op voor wie de receptie van Favereys werk overziet. Waar andere commentatoren hebben geprobeerd om Favereys verhouding tot de tijd zo objectief mogelijk te beschrijven, denkt K. Michel veeleer met zijn collega mee. Met betrekking tot het begrip ‘bestaan’ stelt hij bijvoorbeeld:

       Bestaan is een proces van zichzelf voortdurend doortrekken, doorkruisen, doordrenken.
       Als zandkorrels die een moment de tijd zelf zijn in de passage van het oog van de
       zandloper. Een ding dat voortdurend gekeerd moet worden, wil het in beweging blijven,
       wil het de tijd zijn en blijven. Infinitesemaal kleine deeltjes die in infinitesemaal kleine
       momenten zich samenvoegen tot een ding en zich ontbinden, ad infinitum.

Hier kruipt Michel even uit zijn rol van commentator op Faverey, zodat de filosoof, die de dichter van huis uit is, op de voorgrond kan treden. Het bestaan veronderstelt volgens hem een voortdurende en dus oneindige beweging, wat inhoudt dat de tijd niet zomaar stil te zetten is. Wanneer de zandloper stil komt te staan, verliest het instrument zijn bestaansrecht. De zingeving van het schrijven ligt voor Michel dan ook niet besloten in de fixatie van de tijd, maar juist in het metaforische stromen van de zandkorrels op het papier:

       Zin is betekenis die ontstaat op het momentane kruispunt van tijd en ruimte waar de
       woorden doorheen gaan, naar de lezer toe bewegend. Het worden van de tijd, het weven van
       de ruimte. Zin is een watermerk dat opdoemt in het rimpelende vel waarop het gedicht
       geschreven staat in de blik van de lezer; uw blik, mijn blik, ons heden.

‘[H]et momentane kruispunt van tijd en ruimte’ roept de eerdere metafoor van de zandloper in herinnering, die ook toegepast kan worden op het gedicht: zoals in de zandloper de ruimte via de korrels met de tijd kruist, zo is het gedicht de ruimte waardoorheen de woorden vloeien. Juist in dat vloeien schuilt de zin van poëzie: het gaat daarin volgens Michel niet om een nagestreefde stilstand, maar om de dynamische beweging van de woorden op het rimpelende vel. Die beweging mondt uit in de blik van de lezer, die het gedicht zijn bestaansrecht geeft en het idealiter zoals een zandloper blijft omdraaien.
       Het beeld van de zandloper past goed bij de literatuuropvatting van K. Michel, in die zin dat de dichter zelf grote waarde hecht aan de dynamiek van zijn werk. Van eendimensionale poëzie die na een eerste lezing al inzichtelijk is, moet Michel weinig hebben. In 2000 maakte hij dat bijvoorbeeld duidelijk aan Theo de Boer, die hem interviewde voor Roodkoper: ‘Als je mazzel hebt is het gedicht zo geslaagd dat er achteraf meer in blijkt te zitten dan je zelf besefte. Dat geldt voor elk goed gedicht. Bij een matig gedicht is het simpel: dat is na één keer lezen op.’ Niet alleen het belang van de herlezing, die bij voorkeur nieuwe betekenissen en overwegingen genereert, onderstreept Michels affiniteit met multidimensionale poëzie. Jan Konst heeft twee jaar geleden in Parmentier laten zien dat diens werk verschillende procedés bevat die de lezer belemmeren ‘deze poëzie te fixeren in één enkele, centrale betekenis’. Als voorbeelden noemt Konst Michels suggestieve beeldtaal, zijn neiging om onsamenhangende beelden op elkaar te stapelen en zijn voorkeur om gedichten af te sluiten met een schijnconclusie.
       De door Konst genoemde procedés zijn alle drie werkzaam op het niveau van het gedicht. Maar ook op het niveau van de bundel presenteert K. Michel zich als een dichter die eenrichtingsverkeer uit de weg wil gaan. In interviews heeft hij herhaaldelijk te kennen gegeven dat zijn bundels geen verhaal vertellen, maar een verzameling losse gedachten vormen. ‘Ik heb de neiging om één soort idee in één keer af te werken. Dan is het klaar’, stelde hij in Poëziekrant tegenover Remco Ekkers. Hij vertelt ook: ‘Ik heb eerlijk gezegd geen vogelperspectief op mijn werk. Ik heb gewoon een notitieboek en daar schrijf en plak ik alles in wat me opvalt en wat me bezighoudt en daar komen gedichten uit voort.’ Dat dit tot een uitwaaierend geheel aan onderwerpen en stijlen leidt, is voor Michel een toevallige bijkomstigheid. Toen zijn eerste twee bundels Ja! Naakt als de stenen
(1989) en Boem de nacht (1994) in 2000 werden herdrukt als Ja & Boem, merkte de dichter pas op wat een amalgaam zijn werk feitelijk was: ‘Wat mij opviel […] is de verscheidenheid van toon en de verschillende vormen. Daar denk je niet over na, maar het valt me nu wel op. Er staan langere epische gedichten in en ook “politieke” gedichten, romantische gedichten, kinderlijk-naïeve gedichten en een raar stripachtig gedicht over het gaan naar het bal der dingen, met een soort discussie over realisme en nominalisme.’ Zoals Michels afzonderlijke gedichten vaak een stapeling van losse beelden zijn, zo blijken zijn bundels in zekere zin een stapeling van gedichten. Of om bij het beeld van de zandloper te blijven: voor K. Michel is elk gedicht een korrel met zijn eigen dynamiek.


Voor de volledige tekst: download de pdf.