Het hele leven op een Venetiaans terras. De hedonistische poëzie van Huub Beurskens

Auteur: Gaston Franssen
Huub Beurskens, Eigenlijk heb je alles al, Meulenhoff, Amsterdam, 2008.
Download deze tekst in pdf:

Veranderlijkheid is een sleutelwoord in het werk van dichter Huub Beurskens (1950), zo blijkt eens te meer uit zijn meest recente poëziebundel Eigenlijk heb je alles al (2008). Zeer toepasselijk wordt de bundel op de website van zijn uitgever gepresenteerd als ‘een charmeoffensief tegen de verstarring door angst van de mens voor zichzelf’. Om die verstarring tegen te gaan wil Beurskens spelen met verwachtingspatronen, zowel in de poëzie als in het leven. Het openingsgedicht ‘Omentomme’ zet meteen de toon. ‘Het is de kunst de terechte eigenangst / te camoufleren als een zelfgegraven kuil’, schrijft hij, ‘om erin te zitten spelen als een kind / met gifslangen als van louter sitspapier’. Vervolgens biedt de dichter zichzelf en zijn nieuwste werk ‘feestelijk’ aan de lezer aan, om hem dan in één adem op te dragen de bundel te versnipperen:

       […], strooi me als confetti uit
       de hoogste ramen van onze al onze hemelen tergende
       invliegtorens die altijd al gebouwd op instorten staan
      
en dwarrel er verscheurd zelf achteraan.

De wereld is niet veranderd sinds 11 september 2001, lijkt Beurskens met die ‘invliegtorens’ te willen zeggen: het leven was altijd al vergankelijk en wisselvallig. De kunst is om dat te accepteren.
       Het dichterlijke oeuvre van Beurskens getuigt op verschillende manieren van dit inzicht. Dat verandering zowel onontkoombaar als onontbeerlijk is, blijkt al uit zijn stilistische grilligheid. Hij schrijft nu eens fragmentarische en minimalistische regels, zoals in zijn debuut Blindkap (1975), dan weer parlando in een breedsprakige stijl, op het maniëristische af – getuige deze regels uit het titelgedicht van Hollandse wei (1990): ‘Alom de troebele hoester hangt uit zijn nesse tong, / graait in struifbeplakte heestertakken naar zijn bruid, / hikster van giechelschimmel, streptokokken.’ Ook op de vormvoorkeuren van Beurskens is geen peil te trekken: hij wisselt lyrische met epische gedichten af, schrijft sonnetten, elegieën, aforismen en poëtisch proza. Soms legt hij zichzelf ingewikkelde structuren op, zoals de schroefconstructie in de reeks ‘Winters’ uit Op eigen schaduw hurken (1978), waarin de eerste regel van elk gedicht varieert op de laatste regel van het voorafgaande. In een bundel als Charme (1988) daarentegen is dan weer geen formeel patroon te ontdekken: de lezer wordt meegezogen in een continue stroom van associaties, theorieën en beelden die tientallen pagina’s lang aanhoudt. In Eigenlijk heb je alles al drijft Beurskens die proteïsche inslag van zijn dichterschap op de spits: in de omvangrijke reeks ‘Scherven flessenglas’ eigent hij zich woorden en passages uit het werk van allerlei beroemde dichters, schrijvers en artiesten toe, om er vervolgens een andere draai aan te geven. Nicolaas Beets wordt zodoende herschreven als Paul Celan, Adriaan Roland Holst transformeert tot Pierre Reverdy, Gottfried Benn wordt gemixt met Jimi Hendrix – enzovoort.
       Die stilistische veranderlijkheid heeft er overigens voor gezorgd dat Beurskens altijd op een wisselende ontvangst heeft kunnen rekenen. Zo werd zijn bundel Charme door Hans van de Waarsenburg getypeerd als ‘een formidabele prestatie’, terwijl C.O. Jellema in eerste instantie wel werd ‘overrompeld’ door de ‘beeldkracht en uitbundigheid’ van Beurskens’ poëzie, maar zich toch vooral ergerde aan de ‘willekeur’ ervan. Dat laatste was ook Guus Middag een doorn in het oog: ‘Beurskens dicht er lustig op los, wisselt van stijl als het hem zo uitkomt en strooit onbekommerd met witregels’, constateerde deze criticus, om vervolgens te concluderen dat Charme gemakzuchtig werk was van ‘een dichter met vakantie’. De ontvangst van de bundel is typerend voor de receptie van het werk in het algemeen, want de reacties op de verzamelbundel Bange natuur en alle andere gedichten tot 1998 (1997) waren al even uiteenlopend: Hans Groenewegen bijvoorbeeld kon de ‘virtuoze onbeholpenheid’ van Beurskens nog waarderen, maar Piet Gerbrandy schoof het oeuvre terzijde als ‘maniëristische woordkunst op de vierkante centimeter’. Het is op een curieuze manier toepasselijk: de dichter die de onvoorspelbaarheid zegt te omarmen en deze in zijn gedichten technisch realiseert, wordt daarvoor beloond met een sterk wisselvallige waardering.


Voor de volledige tekst: download de pdf.