DW B 2008 3: Ceci tuera cela. Literatuur en architectuur

Voorwoord
Ceci tuera cela. Literatuur en architectuur

Het boek en het gebouw hebben dezelfde maatschappelijke taak, namelijk het opslaan en uitdrukken van herinneringen en gedachten; het aanleveren van betekenis; het stellen van grenzen in wat in essentie chaos is; het opheffen van het egalitarisme. De uitvinding van de drukpers heeft, volgens Hugo, de architectuur gedood: het boek is efficiënt, goedkoop, hanteerbaar, draagbaar en flexibel; het gebouw is traag, stom, moeilijk en onverplaatsbaar. In moderne tijden wint het boek ─ de roman ─ het van de architectuur. Maar gedurende de twintigste eeuw werden zowel literatuur als architectuur af en toe doodverklaard. Beide disciplines hebben dezelfde vijanden en dezelfde verlangens: zodra de moderniteit goed en wel gevorderd was en het kapitalisme ontketend, en zodra de grote verhalen vernietigd waren, stonden architectuur en literatuur elkaar niet langer naar het leven, maar bleven ze min of meer verweesd achter, en deden wat ze konden om bij elkaar hulp te zoeken.

De teksten in deze aflevering confronteren schrijvers/boeken en architecten/bouwwerken, en duiden correspondenties en divergenties aan. De acht teksten werden voorgelegd aan acht architectenbureaus uit de Benelux. De relatie tussen afbeelding en discours is ‘de negende tekst’ van het nummer. Negen bijdragen die heel wat ‘negatieve ruimtes’ (Cin Windey) bevatten waarin de lezer zelf verbindingen kan leggen. Niet alleen in gebouwen zijn er resonantieruimtes en echokamers, ook in spannende teksten is dat zo.

 

In deze editie