DW B 2004 1: Rubens en Medusa

Voorwoord
Rubens en Medusa

Enkele van onze allerbeste auteurs voelden zich meteen aangesproken door het oude, reeds bij Ovidius opduikende verhaal van de monsterlijke Medusa, die iedereen die haar in de ogen durft te kijken, doet verstenen. Vanwaar die fascinatie? Het volstaat te verwijzen naar de talrijke interpretaties die uit de essays in dit nummer naar voor komen: het aanschijn van schoonheid is ondraaglijk en roept verkrachting en verminking op; het door een slangenkluwen walgelijk geworden gelaat van Medusa is een beeld van een soort kwal en ook van het rauwe, vormeloze vrouwelijke geslachtsorgaan, dat de kijkende man doet huiveren; de freudiaanse castratieangst slaat toe, en met Medusa’s hoofd denkt de man zijn eigen angst te hebben weggehouwen; Medusa is niet mooi, maar abject, slaat ons met angst en vervreemding. Paradoxaal wordt het abjecte ingebed in het sublieme, in de ‘chora’ waar de ratio geen vat op heeft. Tegelijk zegt het Medusaschilderij ons iets over de kracht van het beeld, de angst om erdoor te worden opgeslokt, en het sublieme van dat beeld, dat ons zo kan beroeren.

In deze editie