DISPUUT: Jeroen Theunissen en Sven Vitse kruisen de degens

 In DW B 2013 5 publiceerde Sven Vitse 'Hopeloos maar niet ernstig. Vrijblijvend engagement in De omwegen van Jeroen Theunissen'. Hij noemde het boek een vrijblijvende, afstandelijke leeservaring. Dat is jammer, vindt Jeroen Theunissen. Maar hanteert Vitse als criticus niet een te strak verwachtingspatroon? Heeft hij zijn ergernis niet aan zichzelf te wijten?

Ook in de DW B-bijdrage van de Jonge wolven 'Voorbij het zwelgen in eigen falen' over Wouter Godijn stonden enkele kritische opmerkingen over een stuk van Vitse, dat eerder op deReactor.org verscheen. 

De kritiek van Vitse en het stuk van de Jonge wolven vindt u op deze website in de Kritische encyclopedie.

Vitses stuk over Godijn leest u op volgende pagina.

De Jonge wolven bespraken ook De stolp van Jeroen Theunissen - eveneens te vinden in de Kritische encyclopedie.

 

Reactie op stuk Sven Vitse

Jeroen Theunissen 


Het kan verkeren. Nadat Sven Vitse mijn roman Een vorm van vermoeidheid (2008) in het vierde DW B-nummer van 2009 besprak als een interessante politieke roman, noemt hij mijn recentste werk, De omwegen (2013), in het decembernummer van 2013 een vrijblijvende, afstandelijke leeservaring.
        Zo slaagt Vitse erin om (zij het langs andere wegen) tot hetzelfde besluit te komen als Mark Cloostermans, hoewel er voor het overige – geloof ik – geen twee critici zijn die meer van elkaar verschillen. Vitse en Cloostermans vinden mij allebei een navelstaarder. In het geval van Vitse, die ik als criticus respecteer, vind ik de reactie jammer. Ik heb haast de neiging mij voor die vele uren ergernis te verontschuldigen.
        Maar tegelijkertijd vraag ik mij af of Vitse die ergernis niet aan zichzelf te wijten heeft. Er is iets vreemds aan de hand. Ik vraag me af waarom ik op voorhand – toen ik te horen kreeg dat Sven Vitse over mijn boek zou schrijven – al dacht: dit komt niet goed. Of beter gezegd: interessanter dan mijn juiste intuïtie (misschien louter toeval) is de vraag of de teleurstelling van Vitse voortkwam uit een te strak verwachtingspatroon, een door zijn lezing van mijn vorige romans (in het bijzonder Een vorm van vermoeidheid) gecreëerd rasterbeeld.
        Ik neem als uitgangspunt een citaat van Roland Barthes in zijn essay ‘Qu’est-ce que la critique?’

Toute critique doit inclure dans son discours (fût-ce de la façon la mieux détournée et la plus pudique qui soit) un discours implicite sur elle-même; toute critique est critique de l’oeuvre et critique de soi-même.

Literaire kritiek – ik ga ervan uit dat Vitse het met mij eens is – wil meer zijn dan een schoolmeesterachtig waardeoordeel (slecht-matig-goed-uitstekend). Literaire kritiek die een diepgaande reflectie op het werk van een auteur wil zijn, zal altijd een vorm van zelfreflectie inhouden. Een criticus vertrekt van zijn eigen verwachtingspatroon, zijn eigen ideologische constructies, zijn eigen achtergrond, zijn eigen visie op wat literatuur kan zijn. Een waardevolle literaire kritiek is zich hiervan bewust en wordt zo een ‘dialogue de deux histoires et de deux subjectivités, celles de l’auteur en celles du critique’.
        Mijns inziens schiet Sven Vitse hierin tekort, en om die reden kan ik het weliswaar betreuren dat hij mijn roman niet heeft kunnen smaken, maar vond ik het moeilijk zijn kritiek anders dan meewarig hoofdschuddend te lezen, en kon ik (zoals hij na lectuur van De omwegen) onmogelijk iets anders denken dan: whatever.
        Kort samengevat komt Vitses kritiek erop neer dat mijn roman ironisch en vrijblijvend is, daardoor kitscherig en ongeloofwaardig. De vertelstijl is afstandelijk en onbewogen, ongeïnteresseerd en arrogant, vaak opsommend en bewust oppervlakkig. De omwegen drijft op clichés, verlangt van de lezer inlevingsvermogen noch engagement maar zoekt slechts een zelfgenoegzame blik van herkenning en het bijbehorende snobistische welbevinden. Het boek is lollig in de slechtste zin van het woord. Het schrikt terug voor de ernst die velen van mijn generatie hard hebben gemist in de postmoderne cultuur waarin we (volgens Vitse) zijn opgegroeid. De omwegen verwordt tot een soort uitlachliteratuur, waarbij vooral personen worden geviseerd die in onze postideologische tijd zo dwaas zijn toch nog voor idealen te strijden. Het is een boek voor ‘lezers die neerkijken op of ongemakkelijk worden van maatschappijkritiek, feminisme en in het algemeen de neiging om dingen die het individuele overstijgen serieus te nemen’. Zo ongeveer het enige moment, stelt Vitse, waarop ik enkele feiten wel spannend genoeg vind om de ironie op te geven, is wanneer ik verwijs naar de kredietcrisis van 2008. Los van het feit dat deze conclusie simpelweg onjuist is, maakt zij de teneur van het waardeoordeel duidelijk: alleen wanneer het even gaat over zaken die ook de hegemoniale cultuur aanbelangen, lijk ik het met mijn ironie moeilijk te krijgen. Besluit: Theunissen is van een geëngageerde auteur veranderd in een cynische conformist, schrijvend voor intelligente maar onkritische consumenten in een onkritische, zichzelf nooit bevragende consumentencultuur.
        Een cultuurkritische functie, schrijft Vitse letterlijk, lijkt in mijn boek niet te bespeuren. Mijn eerste reactie daarop was: oei, moet dat dan?
        Het doet mij een beetje denken aan een recensie die Hans Demeyer twee jaar geleden op De reactor publiceerde over twee verzamelbundels met verhalen van jonge schrijvers (20 onder 40 en 20 onder 35). Demeyer verweet de (meerderheid van de) jonge schrijvers toen dat ze in hun verhalen alleen maar een ‘onbewuste reproductie van de heersende ideologie’ brachten, in een ‘cultuur van bevestiging’ leken te leven en weigerden, of eerder nog gewoon niet in staat waren, zich kritisch op te stellen.
        Maar waarom, vroeg ik mij toen af, en vraag ik mij opnieuw af, moet literatuur zo hoognodig uitsluitend beoordeeld worden op de graad waarin ze de vooronderstellingen van de culturele hegemonie bekritiseert? Een dergelijke overdreven strijdbare, karikaturale variant van het modernisme zal misschien enkele mooie academische reflecties opleveren, maar ik kan er als schrijver weinig tot niets mee. Eerlijk gezegd past een dergelijke literatuurvisie ook binnen een ‘cultuur van bevestiging’, niet de hegemoniale cultuur, maar een soort neomarxistische minderheidscultuur die vaak even sterk in eigen vooroordelen opgesloten zit, en waarmee ik als maker van literaire producten (en dus als deelnemer in een moeilijke markt) weinig voeling heb. Ik vind het helemaal niet erg als het soms – in de woorden van Vitse – ‘alleen maar om te lachen is’, ik vind het niet erg als ironie ‘voor de lol wordt ingezet’. Er is niets mis met amusement. Meer nog: het is een van de redenen waarom romans worden geschreven. Zeker niet de enige reden, maar een belangrijke reden. Dus inderdaad: bij momenten heb ik mijn ‘woorden niet op een weegschaaltje (…) gewogen en geopteerd (…) om [m]ijn onmiskenbare talent te gebruiken voor melig amusement’. Gelukkig maar.
        Zowel de kracht als de zwakte van de literaire kritieken van Sven Vitse schuilt in zijn bijzonder politiek getinte lezing. Kracht omdat Vitse in een conjunctuur waar heel wat recensenten in hun oordeel niet verder komen dan een populistisch ‘het is leuk’ of ‘het heeft mij geraakt’ nog ethische vragen durft te stellen, en een werk tot op het bot ontleedt, waarbij hij (althans in de reviews over mijn werk) bijzondere aandacht aan de dag legt voor de premissen die in de verteltoon vervat zijn. De zwakte van Vitse schuilt in het feit dat hij er vaak niet toe in staat lijkt een boek nog anders te lezen, dat hij een roman reduceert tot een filosofisch, politiek of cultureel discours. Zo verwijt hij mij in De omwegen dat ik een aantal (linkse) filosofische en politieke opvattingen oppervlakkig en nominaal behandel. Voor alle duidelijkheid, ik schreef geen doctoraat … Elders interpreteert hij het in mijn roman sterk aanwezige beeld van de parasiet als ‘een mooie metafoor voor het kapitalisme’, een haast lachwekkende simplificatie.
        In eerdere teksten over Een vorm van vermoeidheid en De stolp las en schreef Vitse op een vergelijkbare manier. In zijn tekst over De stolp ging hij op zoek naar de mogelijkheid of onmogelijkheid van een niet-kapitalistisch domein, want als ‘de literatuur een indicatie is voor de politieke en ideologische situatie, dan staat het linkse denken in deze tijd er niet goed voor’. In zijn tekst over Een vorm van vermoeidheid besprak hij de zoektocht van hoofdpersonage Horacio Gnade naar politiek en emotioneel engagement. Hoewel Vitse erkende dat het boek over meer dan alleen het politieke ging, richtte hij zijn aandacht toch hoofdzakelijk op dat aspect.

        Heeft hij dan niet, kan men tegenwerpen, het recht om dit te doen? Zeker. Maar een voorwaarde, lijkt me, is en blijft wel de dialoog, de bereidheid ten eerste om de eigen premissen in vraag te stellen en ten tweede om in het werk van de besproken auteur op zoek te gaan naar de reden waarom die auteur voor een bepaalde strategie kiest, ook als het een strategie is die de criticus op voorhand niet had verwacht, en waarvan hij op het eerste gezicht niet houdt. Hier schiet Vitse in zijn tekst over De omwegen tekort. Tekenend is de slotzin, waarin hij mijn boek ‘tot [z]ijn grote spijt een teleurstellende leeservaring’ noemt. Dit zijn haast emotionele woorden. Hier spreekt iemand die met een duidelijk vaststaande verwachting aan het boek is begonnen, die verwachting niet ingelost heeft gezien, maar nagelaten heeft op zoek te gaan naar de dieper liggende oorzaken voor die teleurstelling, en in ieder geval heeft nagelaten die oorzaken ook bij zichzelf te zoeken.
        Misschien was het helemaal niet de bedoeling van de schrijver om een boek te maken dat binnen een vooraf vastgesteld verwachtingspatroon paste, misschien werd ook van de lezer/criticus verwacht dat hij enige openheid aan de dag legde, dat hij las op een manier die niet aan het rasterbeeld beantwoordde, dat hij zijn verwachtingspatroon aan de kant schoof of verruimde.
        Het is interessant een vergelijking te maken van de ironie in Een vorm van vermoeidheid en de behandeling ervan in de kritiek op De omwegen. Een vorm van vermoeidheid gaat over een professor Spaanse literatuur die opgesloten zit in zijn eigen ironische distantie. Horacio Gnade ‘heeft een muurtje opgetrokken. Ironie is belangrijk. Het is logisch, vindt hij zelf. Hij is een man die de dingen zo veel mogelijk onaangeraakt wil laten (…)’. Horacio Gnade, aldus Vitse, ‘observeert de lege, modieuze, jachtige levensvormen in zijn omgeving als een uitgebluste zoöloog, afstandelijk, onbetrokken, ongeïnteresseerd. Zijn ironie is niet offensief gericht op de ontmaskering van illusies en pretenties, maar functioneert als een vorm van zelfbescherming: ze dient om zijn goed georganiseerde bestaan niet door engagement of hartstocht in gevaar te brengen.’ Pas in Patagonië valt die ironische distantie weg, en misschien komt Horacio op het einde van het boek aan gene zijde ervan.
        Wanneer Vitse in zijn kritiek op De omwegen mijn gebruik van ironie behandelt, lijkt hij het bij momenten over Horacio Gnade te hebben. Ook de ironie in dit boek is, vindt Vitse, een vorm van zelfbescherming, ze is er om het goed georganiseerde bestaan van mijn lezers niet in gevaar te brengen. Ik lijk zelf Horacio Gnade geworden, een man die opgesloten zit in zijn onvermogen nog anders dan ironisch te denken: ‘Links rond zijn mondhoek ligt (…) een streng ironisch trekje, dat rimpel is geworden.’ (Overigens, ik heb daar tegenwoordig wel degelijk een rimpel, al had ik het oorspronkelijke beeld uit een foto van Arnon Grunberg.) De schrijver van het boek over een man die verwoede, wanhopige pogingen onderneemt om de postmoderne ironie te overwinnen, heeft zich nu zelf tot die postmoderne ironie bekeerd.

        Navelstaarder.
        Maar wat als de lichtvoetige vertelstijl van De omwegen iets helemaal anders wil zijn? Wat als die ironie, die overdrijvingen, die opsommingen en karikaturen niet wijzen op een onvoldoende cultuurkritische instelling (of iets in die trant), maar gewoon kenmerken zijn van een picareske roman? Wat als het er de auteur niet (of niet in de eerste plaats) om te doen was, een analyse te maken van de mogelijkheid of onmogelijkheid om in een tijd die zichzelf postideologisch vindt nog in idealen te geloven? Wat als het de auteur helemaal niet om een politieke analyse te doen was, maar hij slechts een speelse en tegelijkertijd tragische odyssee wilde schrijven over weggaan en terugkeren, waarbij het niet zijn bedoeling was een centrifugale dan wel centripetale cultuur of iets in die trant diepgaand te ontleden? Wat als de mislukking van een personage dat karikaturale linkse idealen belijdt misschien niet noodzakelijk geëxtrapoleerd moet worden naar een afwijzing van die idealen zelf? Wat als een niet zeer positieve beschrijving van een psychoanalyticus of van een modieuze filosofische stroming niet bedoeld is als een kritiek op ieder die zich met die zaken bezighoudt, maar gewoon is wat ze is: een overdrijving? Wat als de auteur van humor houdt? Wat als de auteur eventueel geen schrijver van traktaten is, maar van romans?
        In reactie op het hierboven aangehaalde artikel van Hans Demeyer schreef ik twee jaar geleden een tekst waarin ik op zoek ging naar hoe een roman vandaag iets bij de lezer teweeg kan brengen. Een van de zaken waarbij ik uitkwam, was empathie, het versterkte inlevingsvermogen dat een roman kan genereren. Hoe dit dan precies in zijn werk kan gaan, wens ik hier niet uit te werken. Maar vele lezers hebben mij laten weten dat net de barokke, lichtvoetige, picareske stijl van De omwegen identificatie met de personages mogelijk maakt, dat net daarin de kracht van het boek ligt. Zij vonden het helemaal niet afstandelijk of arrogant. Uiteraard is wat lezers mij na een glas vertellen geen argument, en uiteraard heeft Vitse het recht om mijn boek een mislukking te vinden, hoofdzakelijk vanwege die vertelwijze. Hij mag dat doen in teksten van 4 000 of 5 000 woorden, ik zal vereerd zijn. Flauw is het slechts wanneer zijn these, zoals in zijn tekst over De omwegen, te herleiden valt tot een enkele zin: ‘Ik ben teleurgesteld omdat ik niet kreeg wat ik na Een vorm van vermoeidheid verwachtte.’

        Zoals Vitse de strategie waarop mijn roman steunt een ‘ironische presentatie van een zelfbedachte karikatuur’ vindt, kan ik zijn review dan ook slechts ‘de hooghartige afwijzing van een zelfbedachte karikatuur’ noemen.

 

Bibliografie

Roland Barthes, ‘Qu’est-ce que la critique?’ In: Essais critiques, Edition du Seuil, 1964.

Hans Demeyer, ‘Doe toch eens niet normaal, man!’ Op www.dereactor.org

Jeroen Theunissen, ‘40 onder 75’. Op www.jeroentheunissen.be 

Sven Vitse, ‘Over barbaarsheid en linksigheid. Enkele bedenkingen bij recent geëngageerd proza’. In: Parmentier, nr. 3, oktober 2011.

Sven Vitse, ‘De hertovering van de wereld. Liefde en engagement in een gedemystificeerde wereld’. In: DW B, nr. 4, 2009.


Reactie op de reacties: een poging tot positiebepaling


Sven Vitse

Tijdens de voorbije zomer heb ik, in een emotionele uitbarsting die enkele dagen duurde, twee boze recensies geschreven: over De omwegen van Jeroen Theunissen (in DW B) en Hoe ik een beroemde Nederlander werd van Wouter Godijn (in De reactor). Het schrijven van die stukken ging verdacht vlot en mijn conclusies waren verdacht helder. Toeval of niet, op beide stukken is reactie gekomen, in de vorm van de hier te lezen uitvoerig beargumenteerde repliek van Jeroen Theunissen zelf, en enkele kritische opmerkingen in een bijdrage van Laurens Ham, Lisanne Snelders en Willem Bongers-Dek over de roman van Godijn (zie DW B 2014 1). Waaraan heb ik zoveel kritische aandacht verdiend?

        De gemene deler van beide reacties interpreteer ik als een lesje in de ethiek van het lezen. Volgens de postmoderne literatuurtheorie hoort de lectuur respect te tonen voor de zogeheten ‘onbeslisbaarheid’ van de tekst. De enige ‘wet’ die de lezer moet accepteren is dat de tekst altijd ontsnapt aan de betekenis die hij of zij eraan toekent. De ethiek van het lezen veronderstelt dat de lezer het eigen referentiekader opschort en zich openstelt voor de mogelijkheid dat de tekst iets anders betekent dan hij volgens dat referentiekader lijkt te betekenen.
        Laurens Ham merkt op dat ik in mijn recensie de onrustbarende ambiguïteit van Godijns roman tracht te reduceren tot eenduidige interpretaties – anders gezegd, van ‘en/en’ wil ik graag ‘of/of’ maken. Sterker nog: ik tracht de betekenis te verankeren in de auteursintentie. ‘Door de woordkeuze “bedoeld” toont Vitse dat hij naar een intentie op zoek is, een bewuste ingreep van Godijn in het nationale politieke debat.’ In mijn recensie onderscheid ik twee leesstrategieën: de roman als artistiek protest tegen populisme en de roman als demasqué van de gesubsidieerde schrijver. Ik kan me echter niet van de indruk ontdoen, merk ik daarbij op, dat de roman niet in de eerste plaats als demasqué ‘bedoeld’ is, en dat de zelfkritiek veeleer ‘gehoorzaamheid aan conventie’ is.
        Dat is een onhandige formulering, die gemakkelijk als een zonde tegen Lit 1.0 geïnterpreteerd kan worden. Een alternatieve formulering kan zijn dat ik deze leesstrategie niet overtuigend vind, dat ik die zelfkritiek gewoon niet geloof. Dit is niet de reactie van een wetenschapper die alle mogelijke betekenissen openhoudt, maar het is evenmin een intentionele interpretatie die pretendeert te weten wat de auteur bewust bedoeld heeft.
        De twee andere deelnemers aan deze discussierecensie komen op hun beurt tot varianten van een intentionele interpretatie. Lisanne Snelders kiest voor de postmoderne cultuurkritische variant: ‘De “bedoeling” van dit boek kunnen we wellicht beter begrijpen als het willen activeren van een kritisch lezerspubliek.’ Deze roman immers ‘dwingt ons om na te denken over de positie van kunst in de huidige politieke omstandigheden’. Willem Bongers-Dek vermijdt in zijn conclusie het woord ‘bedoeling’ (met of zonder aanhalingstekens) en houdt het op ‘het betoog dat uitgaat van de roman’. Dat betoog luidt: ‘schrijvers, blijf schrijven, zolang we een alternatief discours gaande houden over de wereld zijn we nog niet verloren maar laten we niet al te hoogdravende ambities koesteren’.
        Geen van beide varianten kan me overtuigen. De lezing van Snelders volgt weliswaar een geaccepteerd patroon: ambiguïteit leidt tot een kritische houding van de lezer, dwingt de lezer tot reflectie en verantwoordelijkheid. De gemakkelijke tegenwerping is dat deze lezing mijn interpretatie niet weerlegt: ik ben inderdaad ‘geactiveerd’, heb kritisch nagedacht en heb het resultaat van dat activeringsbeleid op papier gezet. Een kritische houding die in onbeslisbaarheid blijft hangen, is immers géén kritische houding, ook niet volgens de poststructuralistische ethiek. Mijn bezwaar tegen de lezing van Bongers-Dek is niet zozeer dat ze geen correcte interpretatie van de boodschap van de roman zou zijn, als wel dat de roman dit betoog niet waarmaakt. Godijns roman demonstreert namelijk volgens mij precies het onvermogen van de schrijversfiguur om ‘een alternatief discours’ te formuleren. Bovendien bevestigt Bongers-Deks conclusie mijn aanvoelen dat de roman, alle (schijnbare?) zelfkritiek ten spijt, heimelijk de positie van de schrijver verdedigt.
        Los van het welles-nietes raakt deze discussie aan fundamentele kwesties. De belangrijkste is het vermeende ideologiekritische effect van literatuur. Steeds meer raak ik ervan overtuigd dat een tekstgerichte literatuurstudie zich maar beter kan onthouden van generaliserende uitspraken over effecten op lezers. Zonder empirische onderbouwing lijken dergelijke uitspraken me vooral veralgemeningen te zijn van één mogelijke leeservaring – een leeservaring die bovendien bemiddeld is door een kritische houding die aan het lezen voorafgaat en die er niet noodzakelijk door is opgewekt. Uiteraard wil ik dit kritische potentieel omgekeerd niet in het algemeen ontkennen, maar ik verzet me wel tegen de bijna dogmatische aanname dat kunst – in elk geval ‘die van ons’ – kritisch is.
        Een andere kwestie is de haast onvermijdelijke terugval, in deze discussie, in een intentionele leeswijze – of die nou expliciet verwijst naar auteursintentie, of indirect via varianten als ‘impliciete auteur’, ‘intentie van de tekst’, ‘geïmpliceerd doel van de tekst’. Een mogelijke manier om aan de intentionele leeswijze te ontsnappen is de ideologiekritische leeswijze, die zich immers richt op ideologische effecten die in meerdere of mindere mate aan het bewustzijn van de auteur ontsnappen. Het meest opvallende ideologische effect in Godijns roman zou dan het onvermogen zijn om, in de woorden van Bongers-Dek, een ‘alternatief discours’ literair gestalte te geven.
        Dit onvermogen wordt in de roman weliswaar geregistreerd en gethematiseerd, maar niet overwonnen en evenmin – en dat is belangrijker – écht serieus genomen. De zelfkritiek wordt in laatste instantie afgezwakt en ‘teruggenomen’ door het niet radicaal ondermijnde appèl aan de legitimiteit en het belang van de schrijver in de samenleving. Het is precies in dit ‘en/en’, dat Bongers-Dek in zijn conclusie mooi samenvat, dat het ideologische effect zichtbaar wordt. Het spreekt voor zich dat deze duiding mijn interpretatie is en niet de pretentie heeft om objectieve kennis te verwoorden. Dit speculatieve aspect hoort echter bij een kritische literatuurstudie die geen verankering zoekt in intenties maar evenmin in het purgatorium van de onbeslisbaarheid wil blijven.

Ook de reactie van Jeroen Theunissen stelt enkele fundamentele kwesties ter discussie. In enigszins andere bewoordingen dan de DW B-critici verwijt Theunissen mij eveneens dat ik niet ethisch lees. Ik stel weliswaar ethische kwesties ter discussie, maar ik laat na om kritisch te reflecteren over de vooronderstellingen en verwachtingen die ik tijdens het lezen inzet. ‘Hier spreekt iemand die met een duidelijk vaststaande verwachting aan het boek is begonnen, die verwachting niet ingelost heeft gezien, maar nagelaten heeft op zoek te gaan naar de dieper liggende oorzaken voor die teleurstelling, en in ieder geval heeft nagelaten die oorzaken ook bij zichzelf te zoeken.’
        Niet alleen heb ik mijn eigen oordeel over Theunissens roman Een vorm van vermoeidheid geprojecteerd als referentiekader bij de lectuur van De omwegen. Daarnaast lees ik met neomarxistische oogkleppen en veronachtzaam ik het esthetische aspect van literatuur. ‘De zwakte van Vitse schuilt in het feit dat hij er vaak niet toe in staat lijkt, een boek nog anders te lezen, dat hij een roman reduceert tot een filosofisch, politiek of cultureel discours.’ Dat is best pittige kritiek.
        De kritiek in het laatste citaat vind ik op een interessante manier net niet terecht. Ik beoordeel namelijk niet de inhoud van de ideeën die de personages formuleren, maar de manier waarop ze geformuleerd worden. De manier waarop filosofische ideeën narratief verwerkt worden, is wel degelijk een literair verschijnsel. Door dat verschijnsel te bestuderen reduceer ik het literaire werk geenszins tot een filosofische verhandeling. Wél ga ik in het werk op zoek naar ideologische reflecties, die ik onder meer vind in de verwerking van filosofische vertogen. Die verwerking suggereert immers een bepaald perspectief, een bepaalde houding ten opzichte van die ideeën. En hoewel ik volmondig beaam dat ideologiekritische duiding van die houding speculatief is – en dat speculatieve karakter heb ik in mijn bespreking nagelaten te beklemtonen – acht ik het mijn taak als criticus om die duiding te betrachten. (Theunissen weerspreekt overigens mijn interpretatie niet.) De onbeslisbaarheid van de tekst dwingt mijns inziens tot die duiding, maar het klopt uiteraard dat de criticus zich bewust moet blijven van de vooronderstellingen die in die duiding resoneren. Als het postulaat van onbeslisbaarheid echter een argument wordt om ideologiekritisch lezen te diskwalificeren, diskwalificeert het volgens mij zichzelf.
        Theunissen vervolgt zijn kritiek met een intentioneel argument: ik zou van de auteur een cultuurkritische houding eisen en hij staat op zijn recht om andere literaire doelen dan cultuurkritiek na te streven. ‘Wat als die ironie, die overdrijvingen, die opsommingen en karikaturen niet wijzen op een onvoldoende cultuurkritische instelling (of iets in die trant), maar gewoon kenmerken zijn van een picareske roman?’ Ook deze kritiek vind ik op interessante wijze net niet terecht. Het gaat me toch niet om Theunissens bedoelingen? Evenmin meet ik de roman af aan de conventies van een narratief genre. Waarom zou ik De omwegen als picareske roman moeten lezen? De mogelijkheid om de roman in het licht van een bepaalde narratieve traditie te lezen verplicht geen enkele criticus tot een generische of intertekstuele analyse. De auteur kan toch niet het referentiekader van de criticus bepalen? En zelfs al had ik dat kader wél gehanteerd, dan was mijn ideologiekritische duiding dezelfde geweest. Even betwistbaar wellicht, maar identiek.
        Het principiële punt is het volgende: Theunissens kritiek dat ik zijn roman niet gelezen heb zoals hij hem heeft bedoeld, is naast de kwestie. Zij is van dezelfde orde als de verwerping van een feministische analyse met het argument dat de auteur niet de bedoeling had een kritisch perspectief op genderverhoudingen te leveren. Ik lees het literaire werk als criticus, niet als biograaf of advocaat van zijn auteur.
        Het meest fundamentele aspect van Theunissens kritiek betreft echter de vooronderstellingen van de criticus, dat wil zeggen diens kritische programma, poëticaal en politiek. Ik betreur dan ook dat Theunissen zijn kritiek op mijn kritische programma kortwiekt tot deze conclusie: ‘Flauw is het slechts wanneer zijn these, zoals in zijn tekst over De omwegen, te herleiden valt tot een enkele zin: “Ik ben teleurgesteld omdat ik niet kreeg wat ik na Een vorm van vermoeidheid verwachtte.”’ Zo reduceert Theunissen mijn interpretatie van De omwegen tot de constatering dat deze roman geen kopie is van Een vorm van vermoeidheid.
        Tegelijk is Theunissens repliek een inkoppertje, omdat ik mijn teleurstelling nadrukkelijk toon en deze even nadrukkelijk koppel aan de verwachtingen gewekt door de oudere roman. Goed, blijkbaar kan het me wel degelijk iets schelen wat er zoal in ons taalgebied in druk verschijnt en waar getalenteerde schrijvers zich mee bezighouden. Shoot me. Maar de suggestie dat mijn teleurstelling de waarde van mijn interpretatie ondergraaft, is ongefundeerd. De teleurstelling is immers het uitgangspunt voor de zoektocht naar de ‘dieper liggende oorzaken voor die teleurstelling’, de zoektocht waarvan mijn bespreking van de roman de neerslag is. Indien het resultaat van die zoektocht tekortschiet, moet Theunissen dáárop zijn pijlen richten, in plaats van de aandacht te verschuiven van de inhoud van mijn kritiek naar de aanleiding ertoe.
        Niettemin is er een probleem met de (poëticale en politieke) vooronderstellingen die deze zoektocht aandrijven. Theunissen associeert mijn leeswijze met ‘een soort neomarxistische minderheidscultuur die vaak even sterk in eigen vooroordelen opgesloten zit’. Hoewel Theunissen het etiket ‘neomarxist’ nogal gemakzuchtig inzet, beschouw ik het niet als een belediging. De term ‘neomarxist’ verwijst naar mijn aanvoelen naar de vervelende situatie van de inwoner van een kapitalistisch land (en wie is dat niet tegenwoordig?) die het kapitalisme geen goed idee vindt en de marxistische analyse van dat kapitalisme in grote lijnen overtuigend, maar vooralsnog geen geloofwaardig alternatief voor dat sociaaleconomische model kan bedenken. Daarnaast associeer ik neomarxisme met een transformatie van deze politieke impasse in een overtrokken geloof in de kracht van kunst en literatuur. Het lijkt me geen pretje maar ook geen schande om neomarxist te zijn.
        Dat Theunissen zelf (als schrijver en/of in het algemeen) ‘weinig voeling’ heeft met neomarxisme maakt voor mijn interpretatie van zijn werk niets uit – ik beoordeel het werk en de ideologische reflecties die ik daarin aantref, niet de overtuigingen van de auteur. Sterker nog: het engagement van de auteur is voor de ideologiekritische duiding geen doorslaggevende factor. Een werk dat met cultuurkritische intenties is geschreven is daarom niet gevrijwaard van ideologische reflecties, want de kritische intentie kan evengoed leiden tot een verschuiving van deze reflecties, bijvoorbeeld naar het vormelijke niveau. Kortom, de ideologiekritische lading correspondeert niet eenduidig met het engagement van de auteur. Theunissens suggestie dat ik van de auteur een cultuurkritische, al dan niet neomarxistische visie eis, vind ik dan ook misplaatst en onjuist. Mijn leeswijze is kritisch, niet prescriptief. Hooguit construeer ik als criticus (impliciet) een leespoëtica, in geen geval een schrijfpoëtica. Dat onderscheid is fundamenteel. Ik distantieer me van elke poging door een criticus om te bepalen wat een schrijver moet doen.
        Toch raakt Theunissens kritiek aan de achilleshiel van mijn leeswijze: de vooronderstellingen waarop die gebaseerd is, zijn onvoldoende helder en consistent uitgewerkt. Misschien doe ik soms uitspraken die een prescriptieve indruk maken, alsof ik kan bepalen aan welke eisen literatuur moet voldoen. Zulke uitspraken horen volgens mij niet in literatuurbeschouwing thuis. Dat mijn leeswijze heel vaak normatief is, is vooral een probleem omdat de norm nooit geëxpliciteerd wordt. Ik geloof ook niet dat zoiets in algemene zin mogelijk is. Waar de Nederlandse structuralisten in de jaren 1960 (Sötemann, Oversteegen) nog zonder blikken of blozen criteria konden vastleggen (structurele in hun geval) om de kwaliteit van een werk te bepalen, kan deze pretentie volgens mij vandaag de dag niet meer worden hard gemaakt.
        Dit is geen theoretisch maar een praktisch probleem. Anders gezegd: het feit dat geen enkel kwaliteitscriterium theoretisch houdbaar is, vormt geen enkel probleem zolang er binnen een bepaalde groep overeenstemming bestaat over de geldigheid van het criterium. Ik heb als criticus niet de indruk dat ik kan terugvallen op of appelleren aan een dergelijke consensus of het geloof dat een dergelijke consensus zou kunnen schragen. Vandaar dat ik geen algemeen normatief kritisch programma kan hanteren en in elke beschouwing de norm opnieuw moet vastleggen. Het gevolg hiervan is een soort kritische hysterie: bij gebrek aan een kritische norm neemt de hysterische criticus elk literair werk onder vuur.
        Een algemene uitweg uit deze impasse ken ik niet; voor mezelf heb ik niettemin geconcludeerd dat ik het geweer van schouder zou kunnen veranderen. In plaats van normatief te lezen (vanuit een of ander kwaliteitscriterium) wil ik ideologiekritisch lezen. Deze leeswijze veronderstelt evengoed aannames – je moet minimaal aannemen dat er überhaupt zoiets als ideologie bestaat en dat daarvan sporen terug te vinden zijn in literaire werken – maar ze veronderstelt geen prescriptieve of normatieve houding van de criticus. Ik bepleit immers geen ideologiekritische leeswijze die impliciet of expliciet uitgaat van het onderscheid tussen ideologische reflecties en een ideologievrije norm waaraan die reflecties zouden kunnen worden afgemeten.
        En zo kom ik twee keer, via een andere weg, tot dezelfde conclusie. Maar misschien had ik deze conclusie heimelijk al van bij het begin in mijn hoofd en bewijst ze ten overvloede dat er iets schort aan mijn ethische houding als criticus.