Huizen zonder kader

Auteur: Nikola Madzirov
Stad: Skopje
Verschenen in: Op leven en dood
Of beluister dit citybook hier:


Vertaald door Sanne van den Heuvel

’s Avonds hoor je in de oude stad voorzichtige voetstappen op hoge hakken, delen van een bekend refrein dat door de wind wordt meegevoerd, geklik van sleutels en aanstekers, verzuchtingen van café-eigenaren, gerinkel van glazen flessen in containers waar de nacht in slaapt, het gedempte geluid van sms-berichten en gemiste oproepen van geliefden. Overdag kijken de mensen naar de gouden sieraden die ’s ochtends worden teruggelegd in de etalages alsof het om persoonlijke eigendommen gaat van een gevangene die zijn straf uitzit; mensen bekijken zichzelf in de spiegels van de boetiekjes en keren zich aarzelend om naar hun partner die zojuist naar buiten is gelopen voor een sigaret. Ze bekijken het menu, en denken aan alles waarop ze in het leven wachten.
                                                                         *
De zomer in de stad is verworden tot een metafoor van vergankelijkheid en rijpheid, een periode waarin alles al voltooid en af is, waarin de ateliers leeg zijn maar de musea vol, een periode waarin er meer gepraat wordt over lezen dan over schrijven. Zij die voor werk naar het buitenland zijn vertrokken, komen elke zomer terug en tijdens hun verblijf hier registreren we het verstrijken van hun leeftijd; de trekvogels hebben hun nesten al gebouwd op zichtbare plekken; de partijen hebben hun programma’s gedrukt die nu afgedankt op de banken in het park liggen; de artsen raden ons aan om niet naar buiten te gaan ook al geven de statistieken een verhoogd percentage aan huiselijk geweld weer. De zomer is een tijd waarin in de schoonheidssalons uitgebreid aandacht wordt besteed aan het wegwerken van de tekortkomingen van de natuur, terwijl de natuur aanhoudend de tekortkomingen in schoonheid verwijdert. Dan accepteren we vlammen als iets gewoons en verliefdheden als een leugen. De zeeën zijn gevuld met stemmen en de stad is ontdaan van mensen maar niet van muren.
                                                                         *
Ik reis in de richting van Skopje en de droom reist met me mee. De verkeersborden wijzen de weg zoals lichten bij een landingsbaan, de zonnebloemen in het veld verkleuren de hemel, het hert op het bord ‘overstekend wild’ zal op een dag een belangrijk archeologisch artefact zijn zoals nu de tekeningen van uitgestorven dieren in de grotten. Wanneer de bus de stad binnenrijdt, is het alsof hij een tunnel ingaat – kinderen sluiten hun ogen, ouderen gaan harder praten, de chauffeur mindert vaart. De straatverlichting komt op ons af, steeds meer en steeds feller, als wespen die op een achtergelaten watermeloen afkomen.
                                                                         *
Als ik een stadsbus instap, dringen de pauzes tussen dagelijkse gesprekken over kruispunten in het leven en de folklore van pijnen tot mij door. Ik ken de mensen niet, ik ken de verhalen. Ik zoek zekerheid in de herkenbaarheid van hun levensverhalen; ik zoek twee aangrenzende zitplaatsen, om alleen te zijn.
                                                                         *
In de nacht hoor ik de motoren racen van het ene stoplicht naar het andere, van het ene leven naar het volgende. Ze gaan sneller dan het licht op rood springt, sneller dan de maangetijden, dan de pauzes tussen de orgasmen in de nabije gebouwen. Ik heb mijn oma eens tegen de dokter horen zeggen dat hij zich niet moest haasten, omdat we er op een dag allemaal komen. Soms gaat de nacht niet voorbij en knipperen de stoplichten alleen maar oranje, oranje, oranje …
                                                                         *
Alle telefonistes hebben dezelfde stem en de straten zijn hetzelfde al dragen ze andere namen, van bergen, heiligen of dode ideologieën; en de geur van de luchtverfrissers in de taxi’s wordt zwakker en de reizigers hebben een andere stilte maar de telefonistes hebben allemaal dezelfde stem. ‘Auto nummer 15 – van Biser naar de kathedraal.’ De taxichauffeur rijdt: ‘Is er iemand overleden …? Heeft hij iets gedroomd …?’ ‘Auto nummer 15 – van Bunjakovec naar Porta Vlae.’ De telefonistes hebben altijd eenzelfde stem, telefonistes huilen altijd hetzelfde.
                                                                         *
Om middernacht zijn er bij de burek-bakkerijen altijd honden, auto’s met alle knipperlichten tegelijkertijd aan, fietsen die op hun zij liggen met langzaam ronddraaiende wielen, half uitgetrapte sigaretten waarvan de rook een gevecht levert met de stoom op de ramen. De bakkers zijn niet te zien, het logo op de servetjes is verbleekt. De lege yoghurtbekertjes worden verfrommeld zoals een belangrijke brief wordt verfrommeld. Al snel zal er in alle gebouwen licht branden achter een raam. De vogels zullen landen op de plekken die wij verlieten.
                                                                         *
In de tuin van de kathedraal gooien mensen muntjes in de fontein. Het laatste muntje bewaren ze voor de spleet tussen het glas en de lijst van de eerste icoon die ze zien.
                                                                         *
Na middernacht gaat de deur van het casino in het hart van het busstation open. Je hoort de stemmen van degenen die verliezen, van hen die winnen en daarna verliezen, van de daklozen die praten in hun slaap op de metalen stoeltjes in de verduisterde vertrekhal. Elke nacht wordt het busstation bewaakt door mensen die nooit reizen.
                                                                         *
In de tuin van het staatsziekenhuis ren ik achter mensen in witte jassen aan, ik wil hen vragen waar de afdeling is waar men bloed het nauwkeurigst test. Zij kijken me aan, taxeren de kleur van mijn gezicht, gissen naar mijn ziekte; maar ik kijk naar beneden, naar de aarde, ook al zou ik graag naar boven willen kijken, naar de verte, voorbij het uitzicht en alle wolkenluchten die zijn gevangen boven de stad. 
             
                                                            *
In de camera’s van de toeristen zijn alle bezienswaardigheden samengepakt, lege huizen beschermd door Monumentenzorg, lachende gezichten voor de overblijfselen van oude oorlogen en aardbevingen, mooie, fier rechtop lopende vrouwen op het vliegveld omhoog kijkend naar de informatieborden, vage landschappen vanuit het busraam, Swarovski-kristallen die ze overwegen te kopen, de ellende op straat die ze niet kunnen verdragen maar die ze wel willen zien … veel inheemse planten, veel voorbijgangers reizen de wereld over opeengepakt in de camera’s van de toeristen.
                                                                         *
Je hoort een ambulance. De auto’s bij het kruispunt gaan aan de kant; de jongens die de voorruiten van de auto’s wassen, rennen de stoep op met de emmer in de hand waaruit water klotst donker als de nacht, de bedelaars trekken hun handen terug, het lijkt alsof ze even controleerden of het regent en ze verlaten het kruispunt zonder achterom te kijken, alsof ze hun huis verlaten. Een oude man op een bankje aan de overkant vouwt een doekje open waaruit hij zijn zonnebril haalt en kijkt naar de schilletjes van de zonnebloempitjes rondom zijn voeten. De auto’s staan stil alsof ze voor een begrafenisstoet wachten. Het geluid van het alarm wordt langzaam zwakker en de vogels keren terug. Het is stil. In ziekenhuizen huilen mensen stiekem, in tegenstelling tot op begraafplaatsen.
                                                                         *
De serveerster buigt arrogant over me heen, kijkend door het open raam vraagt ze wat ik wil en verlaat de tafel als een geliefde die zijn telefoonnummer niet achterlaat. Uit mijn verleden herinner ik me het bedekte haar van de zusters die blikken op mijn pijnen wierpen, ik herinner me de androgyne gezichten van de stewardessen die zelfs als het vliegtuig neerstort geen recht hebben op verdriet, de apothekeressen die alle handschriften en verlangens van de wereld begrijpen.
                                                                         *
Een omhelzing, beneden, in de bronzen schaduw van het monument dat naar de hemel kijkt.
                                                                         *
Op de Stenen Brug houdt een moeder haar koude baby in een arm terwijl ze haar andere arm uitsteekt naar elke voorbijganger. In Wenen hield een moeder een foto van haar baby vast terwijl ze bedelde. Als een vrouw haar portemonnee opent om een aalmoes te geven, gebeurt het vaak dat je de gezichten van haar kinderen vanaf foto’s ziet glunderen door het doorzichtige plastic naast het vakje voor de creditcards. De hemel, de straten, de bruggen kunnen zich verschuilen in de afstand tussen deze twee vrouwen.
                                                                         *
Wanneer de regen ophoudt, verschijnen de ouderen op straat, de paddenstoelen op de dichtstbijzijnde heuvels, de slakken tussen het gras in het park, de bliksem in de ogen van de heimelijke geliefden.
                                                                         *
Uit elke zwarte, marmeren bank in Warschau stijgt het geluid op van de composities van Chopin als kreten op afgelegen begraafplaatsen. In de banken in Skopje zijn de namen gekerfd van mensen die niemand kent. Het mes snijdt diep in het hout en kwetst door alle tijden heen.
                                                                        *
De hond bij de kathedraal rent achter de auto’s aan en keert weer terug, bij het stoplicht wacht hij op de volgende golf auto’s, rent weer achter ze aan, keert weer terug. Een krantenverkoper aait hem zacht terwijl ze samen kijken naar het stoplicht. Dit komt nooit in de krant.
                                                                         *
In het legerziekenhuis in Skopje bewegen de schaduwen van al mijn dierbaren zich onder mijn bed over de bruine rubberen slippers die me elke nacht naar de halfvergeten spelletjes op de bodem van mijn geheugen leiden.
                                                                         *
Het verlichte kruis op de heuvel verwondde de hemel, terwijl ik me verstopte in de nachtelijke mist waarin de stad gehuld was, zoals archeologen een oud mozaïek bedekken met zand om het te beschermen tegen de sneeuw en de blikken van de tijd.
                                                                         *
Ik verlaat mijn huis altijd met het gevoel dat ik iets vergeten ben, dat er iets – iets wat afkomstig is van een donkere plek waar het jaren heeft gestaan zonder herinnerd te worden – op tafel is blijven staan. Iets wat ik met me mee had moeten nemen, en wat nu nog jaren zo op tafel zal blijven staan terwijl het spel van licht en schaduw er elke dag overheen speelt, als golven over een zandtoren.
                                                                         *
Als ik het heuveltje bij Kale beklim, dan zie ik hoe het grijze ronde gebouw van het hoofdpostkantoor zich opent naar de hemel als een eenjarige veldbloem. De duiven landen op zijn vensterbanken, hoewel ze allang niet meer de brieven van soldaten bezorgen.
                 
                                                        *
In de tuin van mijn opa staat nog steeds die put, diep als de ziel, rond als het lijf van een zeemeermin. Elke ochtend haalde mijn opa, gekleed in een wit hemd, de emmer vol met water naar boven en hoorde je de emmer tijdens zijn weg omhoog tegen de stenen aan de binnenkant stoten als de klepel in een kerkklok. Terwijl ik in mijn droom de ijzeren poort van zijn tuin open, voel ik het water door mijn lichaam stromen dat mij nooit – zelfs niet als ik heel erg dorstig ben – zal toebehoren.
                                                                         *
In talloze fotoalbums en op heel veel geheugenkaarten staat de foto van de klok op het Oude Treinstation, wier wijzers al achtenveertig jaar stilstaan op 17 minuten over 5. De aardbeving van 1963 heeft de tijd doen stilstaan. Het fototoestel legt die illusie van de gestolde tijd vast, terwijl de minuten en uren langzaam de overlevenden uitwissen, hun afgebroken verhalen, halve schreeuwen, wazige blikken naar de vernieuwde hemel.
                                                                         *
De wind blies de mist op de snelweg in mijn richting en er is al twee uur geen enkele auto gestopt om mijn besluit om terug te keren kracht bij te zetten. Net toen ik mijn hand liet zakken en het liften op wilde geven, nodigde een chauffeur me uit om in de stappen. Van een gesprek was niet echt sprake, maar hij vertelde me over de kleuren van de kamers in zijn huis, over de kwaliteit van de zaden bij de Boerenbond, over zijn eerste dagen in het leger. Hij liet me bij de poort van mijn huis achter en vertrok zoals patiënten de waarheid verlaten.
                                                                         *
In mijn studententijd woonde ik in een souterrain, waar ik het nodeloze oefenen op de piano van de dochter van de huiseigenaar hoorde en de sensatieachtige aankondigingen van het nieuws op tv. Op het houten frame van mijn bed zaten stickers van lokale rockbands die de voorpagina nooit gehaald hebben. De kakkerlakken kwamen elke nacht de keuken binnen, aangetrokken door het donker en het warme water in de leidingen. Er was geen tijd om me alleen te voelen, zelfs wanneer iedereen sliep en het rode lampje van de boiler knipperde als een hart dat alle geheimen van het leven kent.
                                                                         *
Ik ren langs de Vardar, de rivier volgt me, de vlinders fladderen voor me uit, ik wis de sporen van de fietsen en de straathonden, door met de zool van mijn schoen steentjes los te woelen die kinderen later in het water zullen gooien, ik ren en kijk niet achterom, ik race tegen mijn eigen angsten die door het bloed van al mijn ongeboren kinderen stromen.
                                                                         *
De hekken moeten worden geverfd, de schoorsteen geveegd, de kranen vastgedraaid, de sloten vervangen, de ramen geopend en de kamers bevrijd van de sterke geur van pas gelakt parket. Een takje komt in de kamer terecht net als de stemmen van de kinderen van de nabijgelegen school, ook de stem van mijn overleden opa komt binnen en roept me toe ‘laat de ramen open, laat de ramen’.
                                                                         *
Daar waar het circus zijn tenten opzette, behangen met vlaggen die tot geen enkel land behoren, staat nu een gebouw dat er van veraf uitziet als een luciferdoosje dat op het punt staat om vlam te vatten van de nachtelijke stilte, van het verlangen van de huurders om te verhuizen dat wordt aangewakkerd, steeds weer als er iemand bij de buren na middernacht in zijn slaap roept, de gebeden van de koren in de kerken en moskeeën daarmee tot zwijgen brengend.

Met dank aan Frosina Stojkovska, fotografe en coördinator van citybooks Skopje.