Travestie

Auteur: Adrian Schiop
Stad: Boekarest
Verschenen in: Op leven en dood
Of beluister dit citybook hier:

Vertaald door Jan Willem Bos

Soldaten!
Wat ik heb gedaan – wat heb ik niet gedaan?
En waar kom ik dan vandaan
Want ik brak deze wereld in twee
Mijn vijanden hebben geen flauw idee
(Florin Salam)

Tussen mei 2006 en januari 2007 doodde ik de tijd door gekleed in een zigeuneroutfit door Boekarest te struinen en in de cafés te ouwehoeren over de subversieve aard van manele. Vrije tijd had ik zat, ik maakte deel uit van een kongsi van journalistieke helden die hun ontslag hadden ingediend uit protest tegen het voornemen van de eigenaar om de krant waar ik werkte voortaan in tabloidformaat uit te brengen, en bij wijze van beloning nam een andere eigenaar (die niemand van gezicht kende en wiens echte naam niemand wist) alle helden in een pakketovereenkomst over en bedreef met ons kunst omwille van de kunst: hij betaalde ons om niets uit te voeren, met de belofte dat hij op een dag een krant voor ons ging uitbrengen. Die krant is er nooit gekomen, maar acht maanden lang werd er op onbegrijpelijke wijze geld op onze rekeningen gestort. Een goddelijk mirakel, occulte transmutaties van elementen? David Copperfield zou er vast jaloers op zijn geweest.

Parijs, Parijs
Vrouwen van mijn dromen
New York, New York
Ik smacht alleen naar jou

(Florin Salam)

Niks ongebruikelijks echter. Alledaagse wonderen en mooie dromen waren in heel Boekarest schering en inslag: met een economische groei van acht procent bulkte Roemenië ineens van het geld – en met het oog op de Europese integratie deed iedereen zijn stinkende best om te laten zien dat er geen enkel verschil was, dat ze net zo politiek correct waren als hun buren in het Westen.
       Ota, de meest avant-gardistische electroclub in Boekarest, was ook verreweg de meest verwesterde. Op de bovenverdieping werd er gedanst – beneden, in de chill-lounge, werd er multicultisoep opgediend (op donderdagen kookte de eigenaar
exotische soepen
) en werden er bezielde discussies gevoerd over ‘vooroordelen’ – ‘vrouwenhaat’, ‘open relaties’, ‘homo’s’. Vooral de meisjes waren enorme homofans. Ze zaten te zwijmelen wanneer ik ze vertelde dat ik op mannen viel, ze zouden het liefst strikjes in mijn haar hebben gedaan als bij pekinezen. Dat was geen onderwerp waar ik altijd opgewonden van kon raken – en dat gold ook voor gesprekken over het van vooroordelen verstoken westerse paradijs: voordat de grenzen opengingen, had ik ginder illegaal anderhalf jaar doorgebracht; waar ik daar het meest van had genoten was het geld – hoeveel je ook zoop in het weekeinde, het raakte nooit op, erewoord, dat was hartstikke gaaf, je kon een hoop dingen kopen en het geld raakte nooit op.
        Maar goed. Andere toverwoorden waren ‘Amsterdam’, ‘lsd’, ‘open source’, ‘vegan’, ‘die arme Roma’, ‘achterstandsgroepen’, ‘urban’, o, vooral ‘urban’. Er werd over van alles en nog wat geluld, maar geen woord over ‘manele’, in die dagen de meest beluisterde muziek in Roemenië, al werd hij dan gemaakt door arme Roma en beluisterd door achterstandsgroepen, zowel zigeuners als Roemenen. Toegegeven, ook maffiose ‘nieuwe rijken’ waren er dol op – maar wiens schuld was het als ze, aangetrokken door het geluid, zomaar op een fuif waren beland?
        In die zin was dat jaar het topjaar van de manele geweest, die overal en nergens te horen waren. Ze daverden uit het appartement van je bovenbuurman, uit het mobieltje van de puber in de tram, uit de maximaal opengedraaide speakers van een opgevoerde auto die voor het stoplicht stond te wachten ... Maar afgezien daarvan waren ze op de FM verdwenen samen met Radio Stil, de laatste piratenzender voor manele, en ook op de televisie waren de manele op sterven na dood, behalve op feestdagen. Ze overleefden op de groentemarkt, op illegaal gekopieerde cd’s en op het internet, waarvan iedereen ze jatte.
        Wat nog een vraag opwierp: als geen mens auteursrechten betaalde, hoe konden die maneleartiesten het dan zo breed laten hangen? Waar haalden ze de poen vandaan voor luxeauto’s, voor de tienduizenden euro’s die ze er in een nachtje casino doorheen joegen? Een goddelijk mirakel, occulte transmutaties van elementen, de onzichtbare hand van de marktwerking in combinatie met David Copperfield? Een volslagen raadsel.

 

Arabië, kom op!
Vertel me niet dat Bin Laden om middernacht komt!
(Gicuţă uit Apărători)

Nu het vanwege de Europese integratie geld regende boven Roemenië, was het een nationale sport geworden om een antimanele-standpunt in te nemen. Merkwaardig genoeg, hoe ruimdenkender iemand was, des te heftiger hij de behoefte voelde om een standpunt in te nemen. In Cluj hadden studenten de toegang tot het Cultuurhuis van de Studenten geblokkeerd, waar Nicolae Guţă een concert zou geven, schreeuwend dat ‘de koning van de manele’ daar niets te zoeken had. Een campagne in Timişoara stelde voor dat op het uur ‘U’ op een zondagochtend beschaafde lieden ‘de hele wijk op Mozart zouden trakteren’, door hem op maximaal volume uit hun auto’s en appartementen te laten schallen. Op de tv spraken intellectuelen hun zorg uit over de ‘manelisering’ van de voormalige kolonie van het Osmaanse Rijk of over de jongens in trainingspak die voor het flatgebouw zonnebloempitjes stonden uit te spugen, de meisjes nafloten en rudimentaire gesprekken voerden over lekkere mokkels, gave karren en geld, vooral geld geld geld.
        Waar op zich niets mis mee was – zoals
Denisa
zei: ‘Geld kan je plezier en macht bezorgen / zonder geld ben je niemand.’ In die tijd had ik het enorm te pakken voor Sile, een zigeuner die voor wat geld geld geld soms bereid was met me naar bed te gaan – en die er ook wel eens mee instemde het bed met mij te delen wanneer hij ’s nachts vastzat in de stad zonder geld voor een taxi. Ik denk niet dat hij iets met kerels had, maar hij had geld nodig om zijn liefjes mee uit te nemen of om ook wat bij te lappen, samen met zijn makkers, voor een gangbang – een hoer inhuren om hun allemaal een pijpbeurt te geven.
        We hadden het vaak over manele en vrouwen, welke manelevertolker de beste was,
Dan Drăghici (mijn favoriet), Florin Salam (zijn favoriet), ‘koning’ Nicolae Guţă of ‘keizer’ Adrian Minune
; in feite was Sile degene die me naar manele heeft leren luisteren. Verder maakte hij me horendol met zijn wikken en wegen hoeveel kans hij maakte om een of andere meid een beurt te geven, ‘Wat een stuk is dat wijf, ze maakt me gek’. Hij had niet bijster veel succes bij de vrouwen, hij was klein van stuk, gezet en donker (een koopje als los-vast prostituee) – maar merkwaardig genoeg eerder een dandy, netjes gekleed en met een afkeer van lichamelijk werk, ‘alleen losers beulen zich af in Roemenië, moet je eens kijken hoe het de politici voor de wind gaat, want dat zijn de grootste zakkenvullers’.

Mijn broers die hangen om mijn nek
Ik zuip en jank als een gek
En ik voel me in mijn sas
Met mijn broers hef ik het glas
(Sorinel Copilul de Aur)


Toen zijn geliefde echter zwanger was geraakt, werd Sile een kleine grote man die het vertikte om nog langer seks met jongens te hebben. Hij kwam nog weleens bij me langs zodat ik manele van het internet voor hem kon downloaden of om wat geld van me los te krijgen – maar dat was het wel. Wanneer ik aanstalten maakte om hem aan te raken, werd hij zo nijdig als een blazende kat.
        Ik denk dat ik aan deze psychoanalytische rouw na een kapitalistische relatie die tic van het dragen van zigeunerkleren heb overgehouden. Dat gedoe begon allemaal na een leesavond in Club A, toen ik besloot een geëngageerde tekst voor te lezen in een aan het concept aangepaste outfit, om welke reden ik bij de secondhand een wit overhemd en een zwarte spijkerbroek à la Sile had aangeschaft – en om geen misverstanden over het concept te laten bestaan, kocht ik ook zo’n hoed die Gáborzigeuners dragen.

       
Die geëngageerde tekst stelde niets voor, onmiskenbaar beter was de manea die ik bij wijze van illustratie liet horen,
‘De Roemenen hebben ’t ’m geflikt’. In deze manea gaat het om een stel mysterieuze ‘snelle jongens’ die door middel van trucjes en raadselachtige kunstgrepen ‘alle valuta uit het Schengen-gebied’ naar Roemenië hebben gebracht. In de samenvatting van de solozanger: ‘Als we op de poen onze zinnen zetten / gaan we erheen en graaien bankbiljetten.’ Het refrein was zo Roemeens en actueel, dat je de neiging had op te staan alsof het volkslied werd gespeeld: ‘Wat een klapper, te gek voor woorden / wat wij zomaar eventjes scoorden, / wat een klapper, niet te geloven / wij doen alles wat we beloven.’ Daar kan David Copperfield een puntje aan zuigen.

Ik heb een mobieltje en een pistool
Geen vijand die me nog iets maakt
(Nicolae Guţă
)

Toen mijn optreden in Club A achter de rug was, vond ik dat die geëngageerde outfit me zo geweldig stond, dat ik hem niet meer wilde afleggen, en ik besloot dat dit mijn nieuwe look ging worden: zigeuner-manelezanger.
        Ik zag af van mijn skateruitmonstering en begon als een bezetene de secondhands af te lopen op zoek naar zo adequaat mogelijke kledij: binnen een maand leverde dit me een (soortement) Adidas-trainingspak, een rood overhemd, een skai jack dat werd gesloten met verblindende goudkleurige gespen en nog wat op; ik kwijlde bij de aanblik van een paar puntige Italiaanse lakschoenen, ik droomde van een vergulde ketting.
        Op een avond ontmoette ik twee recentelijk getrouwde vrienden, van wie hij een overhemd droeg dat hij cadeau had gekregen van haar ouders – en dat hij daarom af en toe moest dragen. Ik werd er verliefd op, het was rood-groen geruit; ik heb bij de jonggehuwden lopen drammen totdat ze het mij cadeau deden. De mouwen waren voor mij aan de korte kant, maar een vriendin vertelde me dat ze, als ik ze streek met een natte lap, enkele uren wat langer zouden zijn, al waren ze dan de volgende dag weer even kort. Als ik dus met dat overhemd de stad in ging, moest ik eerst een kwartier besteden aan het strijken van de mouwen.

Scheur, scheur de kleren van mijn lijf

Ook mijn overhemd als je wilt
Kijk mijn hart dat slaat op tilt
(Ionuţ Cercel)

Mijn flatgenoot vertikte het om nog samen met mij boodschappen te gaan doen, hij zei dat de buren hem uitlachten. ‘Ze zagen dat je je vroeger kleedde als een discodel en nu ben je plotseling in een zigeuner veranderd.’ Sile, die af en toe nog langskwam zodat ik manele voor hem kon downloaden en om me te vertellen wat een aanslag op zijn portemonnee vrouwen en pampers waren, nam me ook in de zeik: ‘Je bent al dertig, is het niet tijd om een beetje volwassen te worden?’ Sinds hij een hele vent was geworden, las hij me de les dat het voor een serieuze man geen goeie zaak was als hij vrijgezel bleef, ‘dan word je begraven door de gemeente, als een landloper. Je hebt geen huis en je hebt geen auto, al die scholing van jou is gewoon weggegooid geld geweest’, zei hij met een sceptisch hoofdschudden.
        Die klootzak stak gewoon een mes in mijn hart. Maar ik was overal doof voor, ik wilde het niet van hem horen en van niemand anders, zoals gezegd, ik was verliefd op die look en op het subversieve potentieel ervan. En daar kwam nog bij dat ik volgelingen had: ik was erin geslaagd een vriendin, Ioana, te overreden zich ook manele-friendly te kleden – ze had op de markt roze bloesjes met glittertjes en een elastische spijkerbroek aangeschaft.
        Na het einde van mijn relatie met Sile vond Ioana het goed dat ik af en toe bij haar bleef slapen; ze klopte me op mijn rug om me te kalmeren, ze wiegde me een poosje heen en weer en dan viel ik in haar armen in slaap. Ik zat in een dipje, niks kreeg me nog in beweging – en dat hoewel Boekarest, wonderbaarlijk zoals gewoonlijk, niet alleen bulkte van de miljoenen euro’s die, in tegenspraak met alle denkbare economische wetten, spoorloos verdwenen en vervolgens op de meest onverwachte plaatsen weer aan de oppervlakte kwamen, maar ook van de goedkope prostituees, onverklaarbaar hetero en jong, overeenkomstig de westerse regels. We zijn een paar keer samen naar Ota geweest, de westerse disco – net als in Amsterdam Londen Berlijn hielden de mensen elkaars hand niet vast en zaten niet op een kluitje, maar dansten autistisch, opgesloten in hun eigen leed, op een onverzoenlijke afstand van elkaar en met hun blik strak op de dj gericht. Eenmaal manele-friendly gekleed trok dat gedoe me niet meer – dus gaf ik me over aan de drank en aan een oosterse stijl, door geil te dansen en daarbij Ioana te betasten en op haar kont te meppen; beneden, in de chill-lounge voor gesprekken over vooroordelen, lonkte ik naar de gozers die ik recent had leren kennen, ik stootte hen aan, en terwijl ik naar de meisjes in het vertrek wees, merkte ik op: ‘Wat een stuk is dat wijf, ze maakt me gek.’

Buiten is het leven zwaar
Koffie krijg je van niemand daar
Je blijft altijd een buitenlander
zonder steun van enig ander
(Robert Calotă)

Omdat Ioana een paar dj’s kende, hebben we geprobeerd de beroepsjongens te overreden om manele te mixen – maar hoewel we het met elkaar eens waren dat het vreemd was dat er geen gipsy & Balkan scene in Boekarest bestond, zeiden ze dat we niet van de manele moesten uitgaan, maar van de oude muziek van de volksbuurten, Gabi Luncă of Fărâmiţă Lambru. Het probleem met die achterbuurtmuziek was dat het sinds 1995, vanaf dat de manele de markt hebben veroverd, daarmee was als met je dooie opa, het was iets wat alleen nog werd beluisterd op langspeelplaten of in de luxerestaurants in het historische centrum. Daarbuiten was iedereen op trouwerijen, doopfeesten en fuiven als een bezetene aan het buikdansen bij manele.
        Zodra de dj’s nee hadden gezegd, kwam Ioana met het idee van een manele-party – maar het lukte ons niet om daar een club in het centrum warm voor te krijgen. Uiteindelijk kwamen we uit bij El Comandante, een souterrain voor rockers met een Che Guevara-poster die prominent boven de tapkast was opgehangen. We verstopten de manele dus onder een wervend verhaal over traditionele volksbuurtmuziek, waarbij we de che-guevaristische eigenaar suggereerden dat we tegen het einde ook een paar hedendaagse manele ten gehore zouden kunnen brengen. Toen we op de party aankwamen met ‘ik ben de kanjer van de kanjers / de baas van de bazen / het hoofd van de maffia / mij kom je niet te na’, zette de che-guevarist de muziek uit en evacueerde ons alsof de tent in de hens stond.
        Het geinigst was een party waar geld werd ingezameld voor de Groene Zaak. In de geest van de tolerantieregenboog had de party ook een bescheiden concept – iedereen moest van huis een lievelingsnummer meebrengen dat tijdens de fuif gedraaid zou worden (bij voorkeur van de genres gipsy of reggae). ‘Echt vrije keuze?’, vroeg ik in mijn mailtje. ‘Zeker weten – zolang het geen fascistische boodschap bevat’, kreeg ik als antwoord. Ik heb gedronken, ik heb me vermaakt, het was geweldig – en toen ik, in de lorum en helemaal in de stemming, op het punt stond mijn manea op te zetten, zei de dj tegen me dat ik niet de ‘zigeuner’ moest uithangen en hem niet lastig moest vallen. ‘Het is mijn party, ik heb mijn best gedaan om mensen op te trommelen, waarom moet jij het zo nodig verpesten?’, zuchtte hij smekend.

Waar neem je mee naartoe, liefste?

Hou je mond en kom mee
(Florin Salam)

In het centrum viel eigenlijk geen lol meer te beleven – en Sile, nadat hij me een eed had laten zweren dat ik me normaal zou kleden, met mijn mokkel Ioana zou komen en niet naar de jongens zou lonken en hem zo te kakken zou zetten, nam ons mee naar de populairste maneleclub. Dankzij het economische wonder en de mysterieuze transmutaties begon het ook Sile voor de wind te gaan, en hij kon het zich permitteren om het armoedige optrekje van zijn ouwelui in te ruilen voor een riante huurwoning. Hij was honingzoet, de gladjakker, hij had een tweedehandskarretje aangeschaft en liep te zeuren dat ik een kruiwagen bij de politie voor hem moest vinden die hij wat smeergeld kon toestoppen in ruil voor een rijbewijs.
        In de club telde ik tot mijn verbazing zeven bodyguards, meer dan voor de regering, die bescherming boden aan een onvoorstelbaar bont gezelschap – Roemenen, zigeuners, T-shirts made in Italy, proletarische maatpakken die over hun houdbaarheidsdatum waren, blitse hoeren, provinciaaltjes op naaldhakken – kortom, heel Roemenië in het klein (min zijn intellectuele kopstukken). Het meest indrukwekkend waren de maffiosi, velen van hen voormalige sportlieden, categorie zwaargewicht, die de ene schaal gegrild varkensvlees na de andere soldaat maakten, whisky met Red Bull dronken en briefjes van honderd euro naar de muzikanten en manelezangers gooiden.
        Maar nog grotere linkmichels dan de maffiosi waren de manelezangers: ze posteerden zich voor een beschonken onderwereldfiguur, staken geïnspireerd een hand in de richting van de hemel en begonnen te zingen wat een buitengewone vent hij was, ‘gelooft u mij, u bent een kei’, ‘mijn geldpers staat altijd aan’, je kon er geen weerstand aan bieden, net als met sirenegezang. Wanneer ze begonnen te kwelen over gezin en kindertjes, ging de hand van de onderwereldfiguur als vanzelf naar zijn binnenzak en dan bleef hij maar bankjes uittellen. Sile legde me uit dat de muzikanten hier soms wel 10.000 euro op een avond opstreken, ‘als een bink zijn bruiloft viert, kan het oplopen tot wel 50.000’. Je zou kunnen aanvoeren dat de manelemuzikanten die maffiosi gewoon een poot uitdraaiden – hoewel je daar evengoed tegenin kon brengen dat kunst dit sinds mensenheugenis doet, ze schort wantrouwen op.
        Wat een extra vraagstuk opwerpt: wat voor behoefte bestond er nog aan technische scherpslijperij over iets als auteursrechten, in een magische wereld waarin meer dan veertig procent van de economische transmutaties spontaan plaatsvonden in het ondergrondse, waar ze geldbedragen baarden die nauwelijks konden wachten om aan de oppervlakte op te wellen? Wat had het voor zin om ruzie te maken met een tv-zender omwille van wat armzalige uitzendrechten wanneer het in Roemenië wemelde van de onbekende filantropen die precies daarop wachtten: op het moment dat je de loftrompet over hen zou steken, en wiens hand naar het hart ging en vandaar rechtstreeks naar de binnenzak?

 
Mijn leven is verleden tijd
 Vertel ik u met smart en spijt
 Met mijn geluk is het gedaan
Dat is voorgoed voorbijgegaan
(Dan Drăghici)

 

Maar de manele spraken niet alleen over ritselaars, vijanden, geld en de overige gangstawonderen van de Balkan; daarnaast hadden ze ook een ‘spirituele’ kant, de angst voor verlating, de liefde voor vrouw en kinderen of het gemis van broers en zusters die het land uit waren – en andere organische zaken, verpletterend warm en basaal, des te waarachtiger omdat ze voortkwamen uit onzekerheid: Broertje, broertje van mij / blijf toch steeds dichtbij / we moeten op onze hoede wezen / anders moeten we voor ons leven vrezen.’
        ’s Avonds bleef ik ofwel thuis en dronk me in mijn eentje een stuk in de kraag, als een watje jankend bij de nummers van Dan Drăghici, ‘de numero uno-stem in het heelal’, een muzikant met een drankprobleem of anders met een leven op de klippen en zeer droevige muziek – ofwel ik ging met vrienden in de stad drinken, waar ik mijn hoed op mijn achterhoofd zette en het lot beweende van de manele in een land waar nieuw links ieder initiatief in de kiem smoorde.
        Overdag ging ik een uurtje of twee langs op de ‘redactie’, een driekamerflatje in het centrum, waar ik mijn mail checkte en vervolgens de stad inging met bevriende journalisten, zodat we ons konden laten vollopen met het geld van de mysterieuze eigenaar-filantroop. Het waren allemaal goed opgevoede mensen, die me niet aan mijn mouw trokken en geen stennis maakten toen ze zagen dat ik me als zigeuner had gekleed – ze wierpen me alleen een je-weet-wel-blik toe. Alleen de secretaresse zei op moederlijke toon tegen me dat het niet normaal was wat ik deed, ‘jij bent een serieuze vent, joh, je zet jezelf te kijk met dit circus’.
        Alles oké dus – totdat de chef me in het oog kreeg; hij zei niets, maar hij wierp me ook zo’n je-weet-wel-blik toe; omdat hij de chef was, heb ik daarop ingespeeld – in die zin dat ik vanaf dat moment de helft van mijn look bij de voordeur achterliet: het meest opvallende identiteitskenmerk was de hoed, de rest van het concept was dubbelzinnig. Derhalve stopte ik in de lift braaf mijn hoed in mijn tas en haalde hem pas weer tevoorschijn wanneer ik mijn job verliet: ik was parttimezigeuner geworden, in mijn vrije tijd.

We zijn gekomen bij Neluţu
Want hij is de grote baas
Hij zorgt voor iedereen
Boef of sloeber, hij vergeet er geen
 
(Florin Salam)


Een 65-plusser met het uiterlijk van een geschoold iemand vroeg me: ‘Bent u joods?’, en om die reden koesterde ik een diepe haat voor hem – er zat iets in mijn look dat niet rijmde met de in de werkelijkheid bestaande modellen. Mijn flatgenoot had me verteld dat er op een terrasje the real thing was verschenen, een authentieke Gáborzigeuner, en dat hij had gebaald als een stekker dat ik er niet bij was geweest, want hij had weleens willen zien in hoeverre ik mijn mannetje zou staan. ‘Hij liep met zijn pens vooruit, waggelend. Stram, met kapsones, perfect aangepast … tien jaar training, Adrian, tien bittere jaren om de voorstelling van die gozer te kunnen evenaren.’
        Wat telde, was dat ik mijn best deed, dat ik het met hart en ziel deed. Ik liet mijn snor staan en ook bakkebaarden die niet erg wilden aangroeien. Er zaten dan wel de nodige gaten in, maar ik besloot dat dit me koud liet: het was niet mijn schuld, het was de schuld van de natuur.
        Naar een uitzending over urban culture met betrekking tot het undergroundverschijnsel, waartoe ik was uitgenodigd in mijn hoedanigheid van homo, ging ik uiteraard uitgedost als zigeuner. ‘Je kunt mijn rug op met dat homogedoe, ik ga praten over manele’, beet ik de gespreksleider voor de uitzending toe. De andere gasten waren een rapper met een rastakapsel en een in Boekarest woonachtige Engelse graffer van twintig. Ik was niet als enige vermomd, want de graffer had zich opgetuigd met een zonnebril en een Arabische sjaal voor zijn mond om niet door de politie te worden herkend – die, de schoften, blijkbaar aantekeningen maakten bij programma’s over urban culture.
        Mijn look was met nog een accessoire verrijkt: bij gebrek aan een gouden ketting had ik mijn mobieltje om mijn nek gehangen. ‘Je kunt die maar beter wegleggen, het merk is te zien en dan krijg je het op je boterham van de media-autoriteit, ik heb een boete van vijf miljoen gekregen voor iets dergelijks’, liet de gesprekleider me voor de uitzending weten. ‘Dat kan niet, hij is onderdeel van het concept’, verzuchtte ik. ‘Dat betekent dat je liever een boete krijgt’, zei hij met een brede grijns, als een slang.
        ‘Maak ’t nou, manele en gangstamuziek,’ lachte de rapper me in mijn gezicht uit, ‘misschien ritselaars, vijanden, geld’; rappers hadden een nog grotere hekel aan manele dan de linkse groenen: de laatste vermeldenswaardige samenwerking tussen de genres was omstreeks 2001 geweest, waarna de rappers aanklampten bij de centrumjongens en hun vertelden over armoede en het harde leven, terwijl de manele neigden naar de gozers in de arme wijken, waar ze voor hen zongen over hoe gaaf het is om rijk te zijn.
        Na de uitzending, telefoontjes: mijn moeder, dat ik eruitzag als een alternatieve kunstenaar met die hoed, en Ioana, die me voorhield dat ik leek op Peter van Văduva Bob, een band van geraffineerde gothics – colbertje, stoffen broek en zijden overhemd, allemaal zwart. Als enig contrast was er het rode koordje van het mobieltje: esthetisch gezien viel er niks op me aan te merken.

Kom op, kom op, breek de bende op
(
Marian Hulpuş)


Ik had een vrouw, voelde me iemand, een kleine grote man. ‘Zie je nou wel? Toen ik je zei dat je de ware vrouw nog niet had ontmoet, riep je dat ik uit mijn nek lulde’, legde Sile me uit, terwijl hij tevreden zijn vingers liet knakken – en wat had het voor nut zijn goede bui te versjteren met gênante details? Niet lang geleden had hij gezien dat ik tot over mijn oren verliefd was en daar had hij meedogenloos van kunnen profiteren, ‘die godvergeten flikker’, zodat ik me tot over mijn oren in de schulden zou steken en helemaal uitgekleed zou worden – maar hij had mededogen getoond en het nagelaten, al zat hij op zwart zaad. Dus ssjt over de details.
        Zo geschiedde het dat ik dat jaar in Vama Veche, de nudistenkolonie aan de Zwarte Zee, belandde als Ioana’s wederhelft. Omdat het begin november was en er een gure wind waaide vanuit zee, zaten de nudisten gekleed en al te verkleumen. Terwijl ik in de rij stond, begon ik, terwijl ik met vaardige hand het ritme tikte op de dij van mijn partner, onschuldig een manea te neuriën, ‘vinger het meisje / laat haar komen / laat haar genieten / wees de man van haar dromen. Ik vond het geestig dat een hippie me vroeg of ik zeker wist dat ik niet per ongeluk in de verkeerde badplaats zat, en twee minuten later was de koffie net op toen ik aan de beurt was. De vijandigheid was dik, ze zweefde tastbaar in de lucht.
        Toen viel de nacht, ik werd dronken en begon, samen met de hippies, te dansen rondom een voodoopaal met een neonlamp bovenin, die op het strand stond. In het begin danste ik manele, met mijn handen op Ioana’s billen, maar omdat de muziek vreselijk stompzinnig was, ging dat me vervelen en begon ik punk te doen door helemaal maf te dansen.
        Toen gebeurde het wonder – de hippies begonnen sympathie voor me op te vatten en om mijn hoed te vragen, broederlijk tegen me op te schurken en me op biertjes te trakteren. Ik had geen punk moeten doen, daardoor werd mijn vermomming doorzien – daardoor kreeg de meute in de smiezen dat ik een van hen was, een hippie die zich als zigeuner kleedt omdat hij waarschijnlijk dol is op kampementen langs de kant van de weg, met hun tenten en huifkarren, die vast en zeker een liefhebber is van traditionele volksbuurtmuziek en een hekel aan manele heeft. Mijn loopbaan als de outsider van Vama Veche kwam ten einde toen ik de volgende dag op een terrasje koffie zat te drinken en een paar als nudisten geklede meisjes samenzweerderig naar me glimlachten.
        ‘... Ben je je weer aan het vermommen, krijg je daar nou nooit genoeg van, man?’, plaagde mijn flatgenoot me verveeld toen ik me opmaakte de stad in te gaan. Diezelfde reactie vertoonde ook de gespreksleider van een debat over clubbing, waar ik, zoals gewoonlijk, was beland in mijn hoedanigheid van homo. ‘Interessant kostuum heb je aangetrokken’, riep die kerel blasé uit, en hij voegde er didactisch aan toe dat het non-conformisme van de clubbers onbegrensd was. Ditmaal, om er niet langer uit te zien als een alternatieve kunstenaar, had ik me gekleed als een zigeuner van het allerlaagste allooi, met een afgedragen stoffen broek, een trainingsjack en een slobberend T-shirt eronder. ‘Ik ben geen clubber, ik ben een manelefan’, blaatte ik bedremmeld. ‘Ja, ja, een manelefan’, lachte hij, en hij ging over op een ander gespreksonderwerp.
        Zoals gezegd, de deugd van de kunst in het algemeen en van de manele in het bijzonder ligt in het opschorten van het wantrouwen, je te doen geloven in wat ze je vertellen. Het directe gevolg daarvan is dat wanneer je probeert oprecht te zijn, geen mens je meer gelooft. De volgende dag heb ik, verslagen, mijn subversieve look opgegeven en ben ik teruggekeerd naar mijn vroegere skate-outfit.

Met dank Jaap Faber, schrijver en coördinator van citybooks Boekarest.

Noot

1. De (cursieve) citaten zijn afkomstig uit de beste manele die YouTube ons te bieden heeft. Via www.city-books.eu kun je doorklikken naar alle clips.