Afscheid van Kleurwijk

 

Ik stapte en ik keek omhoog, naar de kartelranden van de daken, de zigzag die de hemel omlijstte die vaak zo leeg geweest was en stom en zonder genade. Ik zei dag en ik zag de grijze, de roestbruine, de vaalgele gevels met hun vegen als van smerige reuzensponzen. Soms zat de aanslag perfect egaal over hun poriën verspreid, altijd zweette er vocht uit de mortel van hun voegen. Het liep in slakkensporen over de stenen. Als het regende, dan plensde het uit hun goten. Ik kende de trechters waar het dan in bakken uitkwam om hysterisch tegen je schoenen aan te schuimen. Maar het regende niet. En ik zei dag. En ik zag de kaploze peertjes achter de ramen en de bollen in papier met de ijzeren spiralen die ’s avonds op de vloeren en de muren grote, vage ringen tekenden. En ik liep langs de altijd verschenen gordijnen, in lichtroze en blauw en wit met geelbruine vlekken van de nicotine en de teer. Ze hingen van hun roedes af of van de gootjes met de plastic haakjes, waar er altijd wel van losgeschoten waren zodat er bovenaan in kleine lobben een beetje licht door kwam. Achter het raam van de nachtwinkel zag ik de twee Sikhs met hun tulbanden onder het harde witte licht van de tl-lampen. Ze keken altijd naar soapseries en skypeten met de Punjab. Ze hadden nooit iets vers in huis. En ik zei dag. En ik zag het helle, groene kruis van apotheker Sanders dat zijn kleur van rottend vlees pesterig op de pensen van keurslager Willems wierp. En ik groette mijn eigen schimmige verschijning die weerkaatste in het grote raam met de letters in het retrotype van de Parijse métropolitain, dat ’s nachts een inkijk gaf door een waaklampje dat altijd wittig brandde boven de deur van Hassans atelier. Maar het was niet donker nu, het was nog licht en hij keek even op van zijn doening met een klant. Hij stak zijn hand op en zei dag. Dag Hassan, het ga je goed! Achter me sloop er een wagen tussen de bruine strepen die de straat vierendeelden en hij liet een hese toeter horen tot Hassan opnieuw zijn hand opstak. Een ongeduldige local gierde vloekend met de banden. Ik vroeg me af waarom. Een groepje snaken van een jaar of twaalf kwam dollend en trekkend en duwend mijn kant op, een kluwen van kungfu-stampen en -stoten. Foei foei en oei oei en wat ging dat later worden? De brocante tafels met de brocante stoelen stonden uit tegen de gevel waar een gasbrander drie zwijgende, nog niet zulke oude Belgen verwarmde die op dit uur al aan het streekbier zaten. Ik wist even niet meer wie ik kende en wie niet. Maar ik zei dag. Ze groetten terug, brommend. Een van hen stak zijn hand uit met iets dat op een lachje leek. Ik stak ook mijn hand uit en ik zei: Dag. Erwin? 

 

Het vervolg van deze tekst lees je in de papieren versie van DW B 2017 3.