'Sonnet 155'

Verschenen in: Pseudovertalingen

 

Vertaald door Paul Claes

 

Het laatste sonnet van Shakespeare

Welke lezer van de Sonnets van Shakespeare betreurt het niet dat deze weergaloze  liefdesverzen in mineur eindigen? De sonnetten 153 en 154 zijn variaties op een weinig inspirerend epigram van de Byzantijn Marianus Scholasticus en vormen samen een weinig bevredigende coda.

Voor Shakespearianen was het dan ook een blijde gebeurtenis dat in 2016, vierhonderd jaar na de dood van de bard, een ander slotsonnet opdook. De sensationele vondst is te danken aan prof. dr. W. Horn (Cornell University, Ithaca, N.Y.). De Amerikaanse hoogleraar in vergelijkende literatuurwetenschap erfde de bibliotheek van zijn bibliofiele voorganger en trof bij een inventarisering onverwacht een onbekende druk van de Sonnets aan. Hij constateerde verbaasd dat deze bundel in tegenstelling tot de druk uit 1606 geen honderdvierenvijftig, maar honderdvijfenvijftig sonnetten telde. In afwachting van een volledige uitgave, die nog meer verrassingen belooft, publiceerde professor Horn het nieuwe gedicht in het laatste nummer van de Renaissance Review.

Met dank aan de editeur druk ik het sonnet hierna af. De spelling is voor de gelegenheid aangepast aan hedendaagse conventies (in het origineel lezen we vormen als ‘furie’, ‘mistres’, ‘blisse’ en ‘Loue’). Merkwaardig is een typografische afwijking: de cursivering van het woord ‘will’ in vers 8. Omdat een woordenspel met ‘will’ in meer dan één sonnet van Shakespeare voorkomt, ligt het voor de hand de anomalie te lezen als een zinspeling op de voornaam van de dichter. Het intrigerende detail versterkt de authenticiteit van de vondst.

Jammer genoeg ontbreekt hier de ruimte voor een uitvoerige analyse. De tegenstelling tussen passie en schaamte is een leidmotief in de bundel: vergelijk het fameuze sonnet ‘Th’expense of spirit in a waste of shame’. Het beginvers varieert de metafoor ‘to make the beast with two backs’ (paren) uit het eerste bedrijf van Othello. De woorden ‘desire’ en ‘increase’ verschijnen opnieuw in de beginregel van het eerste sonnet en maken het geheel zo tot een echte krans. Het slotvers met zijn eeuwigheidstopos rondt de bundel beter af dan de zouteloze eindregel van sonnet 154 ‘Love’s fire heats water, water cools not love.’

Ik kon niet aan de verleiding weerstaan het sonnet te vertalen. Uiteraard verbleekt mijn versie bij de brille van het origineel. Hopelijk vatten de lezer en lezeres mijn poging toch op als een hommage aan de dichter als ze zich Ovidius’ devies herinneren: Ut desint vires, tamen est laudanda voluntas, ‘Al ontbreken de krachten, de goede wil is te loven.’

 

De volledige tekst lees je in de papieren versie van DW B 2017 2.