Marokkaanse jongens van Molenbeek

Verschenen in: Pseudovertalingen
Auteur: Pol Hoste

Ik

Het lag aan mijn opvoeding dat ik geen moeite had om Marokkaanse jongens van Molenbeek te accepteren. Met godsdienst of moraal had het niets te maken. Alleen met wie ik was.  

         Je kon op school zowel godsdienst als moraal volgen. Maar je moest wel kiezen. Ik koos moraal omdat ik dacht dat godsdienst immoreel was. Iets met oorlogen, brandstapels en vervolging. Al was moraal dat wellicht ook. In Rusland bijvoorbeeld of in Lokeren, in de villa waar ik opgroeide. In ieder geval vond ik mijzelf zo immoreel als mijn ouders, ook al was ik zo goed opgevoed als zij. Behalve dat ik met mijn mening te koop liep. De punten voor opvoeding die ik hierdoor verloor, vielen slechts te recupereren door literaire teksten uit het hoofd te leren en ze te debiteren tijdens wedstrijden voordrachtkunst. Dus leerde ik een paar honderd gedichten van Vlaamse schrijvers uit het hoofd. Ze hadden tijdens de voorbije wereldoorlogen met het Duitse fascisme gecollaboreerd maar nu bezorgden ze me extra punten voor opvoeding. Dankzij hen kon ik weer een tijdje voor mijn mening uitkomen.  

         ‘Stoort voortdurend de les’ werd dat genoemd.       

         Dat was natuurlijk ook zo want ten eerste waren de opgaven wiskunde helemaal geen vraagstukken maar glasheldere voorstellingen van de werkelijkheid ook al hadden ze nergens mee te maken. Misschien waren ze lang geleden problemen geweest waar geleerden zich vragen over hadden gesteld. Waarom ik eeuwen later moest proberen om dezelfde oplossingen te vinden als die waar zij waren achter gekomen, begreep ik niet. Het was tijdrovend en ontmoedigend om zich te meten met begaafde wiskundigen uit de Europese geschiedenis. En verder kon geen van mijn berekeningen in aanmerking worden genomen als oplossing. Wat ik beleefd aanbood, was onredelijk eenvoudig en verschilde ook nog compleet van wat tot dan toe bekend was.  

         ‘Ze zijn foutief’, zei men over mijn oplossingen.

         ‘Waarom kunnen foutieve oplossingen niet?’ vroeg ik. ‘Is het soms omdat ik daar goed in ben?’ Een mening die alweer negatieve punten voor gedrag opleverde. Juiste oplossingen waren niets anders dan juist gedrag. Ik probeerde daar later een verklaring voor te vinden, maar de geschiedenis is zo veelzijdig dat ze niet te overzien valt.    

         Een en ander bracht mee dat ik onafscheidelijk verbonden raakte met de domste leerlingen. Een heerlijk gevoel: ik wist niets, zij ook niet.

         Het werd ‘een ongepaste houding’ genoemd. De vergelijking van wie ik wilde zijn met wie ik was, leverde een beeld op van wie ik niet was. Daaruit meende men te kunnen afleiden dat ik niet dom genoeg was om tot de domste leerlingen te behoren. Dat vonden de domste leerlingen ook. Solidariteit was hen onbekend. Het waren arbeiderskinderen. Er moet staan ‘het waren nochtans arbeiderskinderen’. Maar dat staat er niet. Het waren arbeiderskinderen die zich wilden uitgeven voor slimme leerlingen. Dat was het domste wat ze konden doen. Pure ellende.

         En wat mij betrof: het was niet weten wat. In mijn hoofd verscheen een stralende ochtend in de lente. Alle huizen bevlagd zonder aanwijsbare reden. Waarna je iemand ontmoet die je de zon uitlegt en het geel, het rood en het zwart van de Belgische driekleur. Sereniteit daalt neer over je geest en lichaam. Je stapt een groentewinkel binnen en je staat oog in oog met bosjes naakte peterselie.        

          Op jonge leeftijd had ik de indruk dat mij werd opgedragen om alles in mezelf samen te brengen.  

         ‘Hij volgt de klassieke humaniora’, zei mijn moeder.   

          Nauwelijks verscheen er een vraagstuk in de klas, of iedereen zette zich aan het werk.    

         ‘Doet alsof!’ schreef de leraar in mijn schrift. Van de rode inkt spatte een slecht gespeelde zelfzekerheid af. Zijn pose was een belediging voor de wereld.   

         ‘Is het niet goed dat ik doe alsof?’ vroeg ik. Aan het onrechtvaardige strafwerk dat hierop volgde, ging de vernietigende blik vooraf van het meisje op de eerste bank. Ik herinner me dat ze ooit eens in snikken uitbarstte omdat ze een decimaalteken op de verkeerde plaats had geschreven.  

         ‘Het is maar een komma’, had Van den Brande haar toegefluisterd. Hij was een beetje van haar gaan houden, denk ik. Daarop kreeg hij haar rekenschrift tegen zijn hoofd.

         ‘Het is een decimaalteken!’ Vanaf dat moment noemden de domste leerlingen en ikzelf haar ‘decimaalteken’ hoewel ze Paulette heette. Als ik me niet vergis, is ze uiteindelijk met Van den Brande getrouwd. Voor de staat.  

         Op het einde van ieder jaar mocht ik over naar het volgende leerjaar. Veel veranderde het niet. De hoeken van een willekeurige driehoek bleven onveranderlijk in een bepaalde verhouding tot elkaar staan. Iets wat me zo logisch leek dat het nauwelijks kon worden begrepen.   

         ‘Je moet het niet begrijpen maar bewijzen’, werd er gezegd. Ik vroeg me af hoe iets kon worden bewezen wanneer het niet anders kon zijn dan zoals het was.  

         ‘We gaan hem voor talen laten gaan’, zei mijn moeder.

 

Zij 

Onder die omstandigheden was ik normaal een goed georganiseerde maar diepongelukkige misdadiger geworden. Ik bestond uitsluitend buiten mezelf.

Dat was ook wat ik vreesde voor de Marokkaanse jongens van Molenbeek. Geen mens die naar hen omkeek. Ze stonden er alleen voor. Ze zouden het zelf moeten doen. Tenzij ze zich tot het moslimextremisme zouden bekeren. Of ze dat ooit overwogen, weet ik niet. Er werd met hen hoogstens over gesproken in een taal die haar betekenissen uitsluitend aan de verbeelding overliet. De wrok bezing me godin, van Peleus’ zoon Achilles ...  

         Ik mocht dan wel iets hebben geleerd. Opvoeding, moraal, goniometrie. Net als zij had ik niets geleerd. Even weinig als het slimste meisje op de eerste bank. Net zo weinig als de domste leerlingen die niet wisten wat solidariteit was. Ik had mijn lot aan dat van hen verbonden omdat het alleen maar op die manier was dat ik zou overleven. Zo verbond ik zoveel later ook mijn lot aan die Marokkaanse jongens van Molenbeek. (*)

         Wat er gebeurde nadat ik van bij hen was weggegaan, was dat hun gedrag werd gecriminaliseerd. Men was niet in staat om hen op een andere manier te zien dan vanuit de eigen wereldbeschouwing. Eenvoudig gezegd: ze konden naar de kloten lopen. En ze liepen naar de kloten.

Ik niet?

Ik niet, ik was opgevoed.

Hoezo opgevoed?

         Op hun leeftijd had ik oevers van de Durme en de Moervaart verkend. Ik had door de bossen van Waasmunster gezworven, door de Daknamse meersen, door de velden van Sinaai. Ik had me gevoed met wat er aan eetbaars op akkers en in boomgaarden te vinden was en ik was ontkomen aan de hinderlagen van vijandige boeren die me nog geen rauw appeltje gunden. 

         De Marokkaanse jongens hadden geleerd hoe ze in de winkelcentra van de hoofdstad ongezien aan voedingswaren konden komen, hoe ze zich heimelijk toegang konden verschaffen tot opslagruimten, hoe je illegaal in het bezit kwam van kleine hoeveelheden koopwaar die je verkocht moest zien te krijgen om wat geld over te houden waarmee je verder moest. Waardering kreeg je hoogstens in middens waar kleine criminaliteit aan de orde van de dag was. Verder moesten ze zien te ontkomen aan de wetten van het Belgische volk. Zoals het Belgische volk aan zijn eigen wetten ontkwam. Net zoals ik bestonden ze alleen buiten zichzelf.

         Net zoals ik hadden ze op jonge leeftijd geleerd hoe je omging met afwijzing, haat en verdriet. Net als zij had ik altijd mijn ellende verborgen gehouden. Zo kon ik voor mezelf zijn wie ik was en voor de buitenwereld een vrolijke jongen.

Nooit dacht ik: zou het wel goed zijn dat het is zoals het is? Nooit dacht ik: zou alles niet beter anders zijn? Dat was hoogstens een overweging die je hoorde in het gezelschap van godsdienstige mensen die het hadden over het paradijs. Ik dacht: wellicht ben ik niet gelovig. Dan kun je maar beter de wereld aanvaarden en zowel de natuur als de beschaving ondergaan, sterven of in leven blijven.   

         Het was ook wat ik bij die jongens terugvond: overleven in de omstandigheden die je worden gegeven, omgaan met de mogelijkheden waar je van verstoken blijft, gebruikmaken van de kansen die je ziet: gebedsruimten, commerciële centra, een basketbalplein. Weten waar je staat. En voor alles: zelfbehoud.

         Nooit heb ik gedacht: is het wel goed dat die jongens zijn wie ze zijn? Veronderstel dat ze zouden studeren, dan lag het wellicht voor de hand dat ze als toekomstige sociologen of economisten hun maatschappelijke situatie zouden analyseren. Misschien is het niet denkbeeldig dat hun stem zou worden gehoord in vakbondsmiddens, in politieke partijen, op samenkomsten in gemeentehuizen. Op die manier zou hun eigenwaarde langzaam een waardevolle plaats verwerven in wat wij het bindweefsel van de samenleving noemen. Nu konden ze alleen maar bewijzen hoe slim ze wel waren wanneer ze erin slaagden om anderen te bedriegen. Pure ellende. Nu bleven ze buiten zichzelf en buiten de anderen staan terwijl men vond dat ze alles wat hen werd aangeboden afwezen, ongebruikt lieten en dat ze verloren gingen voor zichzelf omdat ze aan zelfoverschatting leden en alleen maar negatief konden denken over de wereld omdat ze de plaats die ze aan zichzelf toekenden nergens vonden.

 

 

(*) In 2003 werkte Pol Hoste in Molenbeek samen met een aantal Marokkaanse jongeren voor wie hij in opdracht van de KVS een reeks theaterteksten schreef onder de titel La vie commence à Molenbeek.