Lijfje in Brussel

Verschenen in: ATLAS BRUSSEL


Bollandistenstraat – Jubelpark – Vierarmenkruispunt - Mellaertsvijvers - Sint-Katelijneplein - Ons-Heerstraat - Grote Markt


De schouders

Ze is dertien en draagt mijn naam. Het zijn de jaren zestig. In een voorlichtingsprogramma wordt beweerd dat vrouwen vanwege hun ronde schouders vooral geschikt zijn voor in huis. Haar schouders zijn hoekig en ze wil niet binnenblijven.

Ze heeft net van haar moeder gehoord dat ze naar Brussel zullen verkassen. Brussel ligt in een ander land en ze kunnen er allemaal Frans spreken, terwijl zij niet veel meer dan ‘Papa fume une pipe’ kan zeggen. Haar schouders zullen met haar naar het buitenland gaan. Ze weet niet wat ‘schouders’ is in het Frans. Ze heeft gehoord dat ze in Etterbeek zal gaan wonen. Die nacht droomt ze van een kolkende beek. Een beek vol etter. Er is geen brug overheen.

  

De ogen

Haar ouders hebben een huis gehuurd in de Bollandistenstraat. In de keuken is er alleen koud water. De woonkamer is op de eerste verdieping. Als het gezin er aan het eind van de middag samenkomt, gaat de moeder met tegenzin naar beneden om het eten klaar te maken.

Tegen de wanden in de woonkamer zit nog originele zijde gespannen. De andere kamers hebben rustig licht behang gekregen. De huisbazin had donker behang uitgezocht met grote kronkelende vormen erop. Beleefd wijzen de ouders bijna alles af. Alleen voor de garderobe beneden, naast de keuken, stemmen ze in met de voorkeur van de huisbazin. Als ze haar jas ophangt, ziet ze het behang dat haar ouders nooit zelf zouden hebben uitgekozen.

  

De oren

In de klas houdt ze haar oren open, want veel gaat anders dan ze gewend is en soms begrijpt ze een woord niet. De kinderen moeten aan het begin van het nieuwe schooljaar opstaan op de alfabetische volgorde van hun achternaam. Als de L aan de beurt is, staat ze op. Ze hoorde vroeger in het telefoonboek altijd bij de L. Haar achternaam is met een kleine v. De lerares zegt dat ze niet oplet. Ze luistert nog beter, maar weet niet wat ze moet doen. Bij de V zegt de lerares dat ze had moeten opstaan.

De studieprefect wandelt als een ongenaakbaar man over het schoolplein. Niemand durft in zijn buurt lawaai te maken. Op een dag dwarrelt er een herfstblad naar beneden en landt op zijn weelderige haardos. Hij merkt het niet. Hij hoort niet hoe dat ene blad in zijn haar vrolijk lacht met zijn ongenaakbaarheid. 

 

De mond

Alle kinderen in haar nieuwe Etterbeekse klas zijn perfect tweetalig. De Franse les blijkt net zoiets te zijn als de Nederlandse. Ze zegt niets, want als ze een Franse zin heeft bedacht, zijn de anderen al zes zinnen verder. Het eerste hoofdstuk in het leerboek heet ‘Le père de la Traction Avant’. Ze heeft geen idee wat een traction avant is. Op het schoolplein gaat ze bij anderen staan. Die beginnen meteen Frans te praten. Ze loopt niet weg, maar houdt wel haar mond.

De leraar wil haar helpen. Ze mag met haar oudere zusje na school naar zijn huis komen om te oefenen. Er staat een grote porseleinen kip onder de schoorsteenmantel. Van ongemakkelijkheid moeten de zusjes giechelen. Ze willen niet, maar het gebeurt.

  

De zenuwen

Ze woont niet ver van het Jubelpark en heeft begrepen dat het daar jubelt omdat de Hollanders werden verjaagd. Zulke triomfbogen kent ze niet uit haar geboorteland. Ze doen daar niet aan triomfbogen.

Op een vroege avond wandelt ze door de buurt, net zoals ze dat in haar vorige buurt deed. Buiten is het nog licht. Er loopt een man achter haar aan. Ze steekt over. De man steekt ook over. Ze steekt weer over. De man steekt ook weer over. Ze wandelt toch maar niet tot waar ze de triomfboog kan zien, maar rent naar huis. Ze hangt haar jas op in de garderobe met het drukke behang en vertelt niet wat er gebeurd is. Later zegt de jongste zus, die naar een andere school gaat, dat er soms onderweg een auto langzaam naast haar bleef rijden met een man erin die op een rare manier bewoog. Ze wist toen nog niet wat hij aan het doen was.

  

De armen

Ze heeft vriendinnen gevonden. Een van hen woont in een groot huis met twee trapzalen, niet ver van het Vierarmenkruispunt, dat Quatre-Bras wordt genoemd. Ze gaat ernaartoe met de tram. De conducteur, die nog wattman heet en met wie je niet mag spreken, zegt dat ze te weinig betaalt. Hij zet haar voor het bos de tram uit. Er is een fietspad naast de rijweg, gescheiden door groen. Quatre-Bras is voorbij het bos. Ze denkt dat ze wel te voet bij de vriendin kan komen.

Halverwege springt er een man uit de bosjes. Ze voelt zijn arm om haar heen en duwt die met haar twee dunne armen uit alle macht weg. Ze weet zich los te rukken en rent zonder op te letten de rijweg over. Bij de vriendin met de twee trapzalen wordt de politie gewaarschuwd. Misschien zullen er voortaan geen meisjes met beginnende borsten en te weinig geld vlak voor een bos uit de tram worden geze 

 

De benen

De Mellaertsvijvers zijn bevroren. Ze gaat er schaatsen, met een zusje.

Ze doet de kunstschaatsen aan die van haar tante zijn geweest. Sinds ze die schaatsen heeft, vindt ze dat ze kan schaatsen, ze kan zelfs haar ene been over het andere zwaaien en zo rondjes draaien. Eerst had ze doorlopers, die ze om haar schoenen moest vastbinden. Die raakten almaar los en gingen scheef  zitten.

Ze zet haar schoenen onder een boom en trekt de kunstschaatsen aan. Zo hobbelt ze over het gras naar de rand, stapt op het ijs en zakt er meteen door. Haar zusje helpt haar weer op de kant.

Samen met haar droge zusje rent ze een tram in. Het water druipt uit haar kleren, de vloer wordt nat. De andere passagiers kijken naar haar, maar zeggen niets. In haar geboorteland zouden ze allang commentaar hebben gegeven.

  

De longen

Ze gaan naar een kerk op het Sint-Katelijneplein. Niet de grote van de katholieken, maar een kleine, die er vanaf de straat als een gewoon huis uitziet. Ze zijn protestants. Op school vragen leerlingen of protestants ook christelijk is. Haar vader en moeder zijn niet benauwd christelijk, haar vader vertelt een verhaal over iemand die vraagt hoe God eruitziet en iemand anders die zegt

dat Ze zwart is. Protestanten vormen hier maar één procent van de gelovigen.

Ze zingen veel en niet op hele noten, zoals de benauwden.

De eerste keer in die Brusselse verstopte kerk zit ze op het balkon met vader en moeder, zussen en broers. De gemeente zingt ‘God roept ons broeders’ en het hele gezin zingt luid en zuiver een tweede stem van dat lied. Zij ook, hoewel ze geen broeder is.

  

De neus

De ouders moeten op hun centen letten. De moeder krijgt huishoudgeld, de vader verdient als hoogleraar protestantse theologie aan een kleine faculteit niet genoeg voor het grote gezin en de steeds hoger wordende huur. Hij geeft ook protestantse godsdienst op het atheneum. Ze zit bij hem in de klas, samen met één ander meisje dat heel weinig zegt. De vader vertelt over Gandhi en Toyohiko Kagawa en meer mensen die in de geschiedenisles niet aan bod komen.

Op restaurant gaan is eigenlijk te duur, maar wel feestelijk. De ouders bezoeken graag met hun kinderen La Grande Porte in de Ons-Heerstraat, om er ajuinsoep te eten, betaalbare, geurige ajuinsoep, stevig en met stukken brood. Ze ziet haar ouders met hun neus boven hun glas wijn hangen voor ze ervan drinken. Boven hun hoofden klinkt klassieke muziek.

  

Het hart

Ze groeit op en de stad wordt haar stad. Een mengelmoes aan mensen, daar voelt ze zich in thuis. Ze hoort bij een groepje ongeregeld dat zich Brutopia noemt en acties verzint. Ze protesteert mee tegen de afbraak van de Noordwijk, tegen het megalomane Manhattanplan (Manhattan op z’n Frans uit te spreken). Voetgangers zullen op grote hoogte over loopbruggen wandelen en er zal een kruispunt komen van snelwegen die Lissabon met Stockholm en Istanboel met Londen moeten verbinden. Het levendige hart van de volkswijk wordt als eerste ontmanteld. Het plan mislukt. Een enorm terrein blijft braak liggen. Ze wandelt er soms over de olifantenpaadjes.

  

De botten

In een Engelstalig blad staat dat de Grote Markt de mooiste parkeerplaats van Europa is. Ze laveert er op een dag tussen de auto’s door. Haar lijf is dun, haar heupbotten steken nog een beetje uit. Botten zijn beenderen. Ze wordt gewenkt door een oude vrouw, die vraagt of ze haar wil ondersteunen. Samen schuifelen ze naar waar de vrouw zegt te wonen. Botten zijn hier laarzen. Ze voelt de botten die voor haar beenderen zijn onder het magere vel van de vrouw, zo broos zijn die, alsof ze niet meer op hun plaats willen blijven. Onder de schedel zit alles wel op z’n plaats. De vrouw vertelt wat ze zo schoon vindt aan de stad. En dat ze overlaatst de Grote Markt zonder auto’s heeft gezien. Zo schoon, zonder auto’s. Daar hoopt ze op, dat de Grote Markt ooit elke dag zonder auto’s zal zijn. Zo schoon.