In wederkerigheid van woorden. Zes dichters benaderen de werkelijkheid in taal

Verschenen in: Utopia
Auteur: Laurens Ham
Anne Becking, Het omgekeerde van een pose, Halverwege Chapbooks, Amsterdam, 2014.
Anneke Brassinga, Het wederkerige, De Bezige Bij, Amsterdam, 2014.
Laura van der Haar, Bodemdrang, Podium, Amsterdam, 2014.
Antjie Krog, Medeweten, Podium, Amsterdam, 2015.
Monika Rinck, Honingprotocollen. Zeven schetsen voor gedichten die uitstekend zijn, Perdu/Poëziecentrum/Terras, Amsterdam, 2015.
Marwin Vos, Oorlogspaarden tot in de buitenwijken, Leesmagazijn, Amsterdam, 2015.
Download deze tekst in pdf:

Soms zijn het maar enkele regels die een gedicht verbluffend maken. Neem een fragmentje uit het gedicht ‘om ’n pruim te eet’ (‘het eten van een pruim’) in Medeweten (2015), de vuistdikke nieuwe bundel van Antjie Krog (vertaald door Robert Dorsman, Jan van der Haar en Alfred Schaffer). Op het eerste gezicht is dit geen memorabel gedicht. Het eten van een pruim wordt, weinig verrassend, als een erotische ervaring beschreven: ‘iets wilds kom in jou lê as koel perfeksie / satyn-oorasemd’ (‘iets wilds als koele perfectie komt in jou te liggen / satijn-overademd’). Het woordspel in de tweede strofe doet zelfs kitscherig aan: Krog heeft het woordspelig over ‘halsheerlike kranksingigheid’ en ‘tong- / malendeskeurendevlees’ (‘halsheerlijke krankzingigheid’, ‘tong- / malend-scheurend-vlees’). Maar in de derde strofe stapt glashelder werkelijkheid het gedicht binnen:

 

misterieus

die pit

skielike warm werklikheid

bloedrig in jou bakhand

 

(mysterieus

de pit

plotselinge warme werkelijkheid

bloederig in je opgehouden hand)

 

Het is niet per se het prachtige woord ‘bakhand’ (het Engelse ‘to beg’ klinkt erin door) dat me fascineert. Eerder is het schitterend om in een barokke taalexplosie ineens op een pit te stuiten die niet in woordkunstige taal te vangen is en die als ‘skielike warm werklikheid’ in je hand komt te liggen. Krog zoekt kunstig woorden voor een fysieke ervaring – het eten van een pruim, dat tegelijkertijd een smaakervaring en een tactiele sensatie is – maar stuit op een kern van ‘werkelijkheid’ in of onder de taallaag die ze heeft aangeboord. In de vierde strofe zet ze het woordkunstige spel nog even voort (‘’n pruim / is die prins van profusie / lipledig / en psalmplunderend promisku’), maar het onthutsende effect van die pit van werkelijkheid die bloot is komen te liggen, kan niet meer ongedaan worden gemaakt. 


Het vervolg van deze tekst lees je in de papieren versie van DW B 2016 1 en in de pdf hierboven.