Honger naar het vuil. Lezen achter de spijlen van Annemarie Estor

Verschenen in: Utopia
Auteur: Jeroen Dera
Annemarie Estor, Dit is geen theater meer, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2015.
Download deze tekst in pdf:

 

Waarin zit de panter uit Rilkes wereldberoemde gedicht eigenlijk gevangen? Zeker, er zijn de spijlen, ‘und hinter tausend Stäben keine Welt’. Maar er zijn ook Rilkes gestileerde rijmwoorden, zijn regelmatige versificatie en de puntige precisie die zo eigen is aan de Dinggedichte. Deze panter loopt niet alleen cirkeltjes in zijn kooi in de Jardin des Plantes, maar ook in het gedicht, waarin hij voor eeuwig zit opgesloten en voor eeuwig is geobjectiveerd – geraakt in zijn essentie, weliswaar, maar dan toch wel in de essentie van de dierentuinpanter, die niet op een onvoorspelbaar moment zijn opgehoopte energie kan kanaliseren.     
            Heel anders is de roofkat die Annemarie Estor opvoert in haar derde individuele bundel Dit is geen theater meer (2015), de opvolger van Herman de Coninck-prijswinnaars Vuurdoorn me (2010) en De oksels van de bok (2012). Hier is de panter niet gekooid, maar volgt hij een spoor van bloed en geweld door de bundel – zogezegd de ‘Tanz von Kraft um eine Mitte’ die Rilke in de blik van het dier vermoedde. Of het daadwerkelijk om de rilkiaanse variant gaat weet ik niet, maar het is een feit dat Estor de panter in de titelreeks ‘Geen theater meer’ expliciet koppelt aan de schriftuur van haar bundel. Daarin ‘drapeert [hij] zich over de schrijftafel’, alwaar hij duidelijk op zijn gemak is: ‘Hij kijkt me aan, knijpt dan zijn ogen toe.’ Veel goeds voorspelt dat niet: literatuur die een panter laat loslopen, vraagt per slot van rekening om een bloedbad.      
            De poëzie van Estor is in die zin radicaal dat ze dergelijk geweld schaamteloos esthetiseert. ‘Altijd stroomt het bloed weer door mijn kleren, / onherroepelijk rivieren. / En ik ben ermee gaan schrijven’, luidt de poëticale confessie van het lyrische ik in de panterreeks. In zekere zin is de dichter zo de prooi van de eigen predatiedrift, maar er wordt ook jacht op haar gemaakt: in het slotgedicht van de reeks ‘sluipt de panter over de boeken deze kant op’ – de ik-figuur heeft net denkbeeldige kinderen met een mes uit haar hoofd gesneden – ‘en hij likt mijn nek, hun bloed, begerig’. En dan is er ook nog het bevel dat het roofdier aan het lyrische ik geeft wanneer het zich over haar schrijftafel heeft gedrapeerd: van de panter moet zij kiezen voor een man die haar zal straffen, ‘niet te eten geven, u gevangen zetten in een kamer / waar u tot uw middel in het water recht moet staan’. De panter blijkt zowel verbonden met de activiteit van het bloederige schrijven als met de passiviteit van het onderworpen zijn. Daarmee staat het dier in het centrum van Dit is geen theater meer, waarin Estor niet alleen de klauwen uitslaat, maar evengoed het verlangen uitspreekt verscheurd te worden. Het levert poëzie op die je bij een onzorgvuldige lezing weg zou kunnen zetten als barok fetisjisme, ware het niet dat er ideologische fricties in doorklinken die veel verder voeren dan de particulariteit van een panterachtig spel met predator en prooi.


Het vervolg van deze tekst lees je in de papieren versie van DW B 2016 1 en in de pdf hierboven.