Over DW B 2016 1

Verschenen in: Utopia
Auteur: Hugo Bousset

Beste lezers,

 

Dit jaar vieren we niet alleen de 400e sterfverjaardag van Shakespeare maar ook het feit dat Thomas Moores Utopia 500 jaar oud is. Een mooie gelegenheid om na te denken over de (on)mogelijkheid van utopisch denken in onze tijd. Curator Bas Groes vroeg aan negen auteurs en aan zichzelf een creatieve of essayistische tekst over de kwestie die Merijn Oudenampsen treffend verwoordde: ‘Welke elementen uit Utopia zouden toegepast kunnen worden in het heden’ als ‘een blijvende inspiratie voor de democratische verbeelding?’

Na de catastrofes van het utopische denken in de twintigste eeuw, zoals in het fascisme en in de uitwassen van het communisme en het kapitalisme, kwam vanaf de jaren 1970 de postmoderne neiging tot deconstructie van alle grote verhalen tot stand, en de voorkeur voor individualisme en ironie. Hoewel elders en later nieuwe utopieën ontstaan, die compleet ontsporen, zoals nu weer de idee om de wereld om te vormen tot een reusachtig kalifaat, is er in West-Europa in onze tijd een duidelijk verlangen naar nieuwe, zij het kleinschalige zingeving en bezielde groepsvorming. Sven Vitse schrijft in dit nummer: ‘De lat ligt voor deze gemeenschap minder hoog dan in de klassieke utopie: een alternatief voor de gehele samenleving is volstrekt ondenkbaar. Eén enkele relatie die niet door handel of bezit wordt bemiddeld kan al de kiem van een gemeenschap zijn.’ En: ‘In het verlangen om de aandacht van het ik naar de ander te verleggen, glanst een fragiele kiem van utopie.’

Niemand heeft bovenstaande stadia in onze recente geschiedenis beter verwoord dan Peter Sloterdijk. Ik heb het daarover al gehad in Vurige tongen (Meulenhoff, 2011), maar hieronder citeer ik hem nog graag eens, in het Duits of in Franse of Nederlandse vertaling, de talen waarin ik hem heb gelezen (zie bibliografie).

Het thema van de adembenemende trilogie Sferen van Sloterdijk, met de drie fases ‘Bellen’, ‘Globes’ en ‘Schuim’, is de evolutie van de mens in die sferen. Sferen zijn ‘ruimtescheppingen die als immuunsysteem werken, voor extatische wezens die het buiten op zich voelen inwerken’. De foetus zit in een sublieme bel, een geluksruimte, de baarmoeder, een ‘matriarchale zee’, een vlottend en auratisch universum, bestaande uit ‘resonanties en zwevende stoffen’. Na de traumatische geboorte ─ de verdrijving uit het paradijs, de ‘sferologische oercatastrofe’ ─ maakt de mens zelf nieuwe, beschermende sferen, zoals steden, naties, rijken, sociale structuren, zeg maar betekenisstolpen, waaronder hij zich met zijn lotgenoten verzamelt en verdedigt tegen vijandige sferen die hem belagen. De samenhang van zo’n gemeenschapssfeer komt tot stand door gemeenschappelijke goden, structuren, verhalen en kunsten. Boven zich spant hij een ‘eigen semiotische hemel’, die bescherming biedt. Hij maakt globes om in te wonen. Die fase beschrijft Sloterdijk als volgt: ‘Wij zijn door de bol omsloten, wij zijn gevat in de ring van het Zijn, wij ontbreken niet aan het geheel […]; we zijn handlangers van het ronde, het Ene’.  De bol is de ‘appel van het Zijn’. De wereld wordt dan een geheel van zingeving en warmte.

Tot de postmoderne mens inziet dat hij niet in een bol leeft, maar op een bol. Nieuw te verwerken trauma, want: ‘Waar zijn we, wanneer we in het onvertrouwde zijn?’ De globes bieden geen bescherming meer, zodra de mens beseft dat ‘volken, rijken, kerken en met name moderne nationale staten niet in de laatste plaats ruimtepolitieke pogingen zijn om met imaginair-politieke middelen fantastische moederlichamen voor geïnfantiliseerde massapopulaties na te bouwen’. De welvaartsstaat, de wereldmarkt, de media: ‘al deze grootschalige projecten streven in tijden van schaalloosheid naar nabootsing van de onmogelijk geworden imaginaire sferenveiligheid’. Ook de cybernetische globalisering is slechts een ‘buiten’ waaraan geen ‘binnen’ beantwoordt. ‘Telecommunicatie moet de functie van het alomvattende nabootsen.’  Er is ‘een acute wereldoorlog van levensvormen en informatiewaren’ aan de gang. Waar alles middelpunt is geworden, ontbreekt een centrum.

De postpostmoderne mens moet dus zélf sferen creëren, bezielde geluksruimtes, waar intimiteit heerst. Sloterdijk heeft het over ‘petites îles d’animation’ en ‘espaces de proximité’ in een verschuimende wereld. Die opdracht tot zelfcreatie kan té zwaar wegen en leiden tot een ‘pathologie van de sferen’. Schuim is een onbeheersbare structuur. Afzonderlijke individuen voelen zich dan onbehuisd in een wereld zonder alomvattende zingeving en schrompelen ineen tot depressieve, passieve, sfeerzwakke eenzaten. Maar de opdracht tot persoonlijke, ludieke creatie kan ook baden in een sfeer van lichtheid, beweeglijkheid en vrijheid. Het schuim kan zelfs refereren aan de prerationele, sublieme bellen, maar dan op een bewuster niveau. De exclusieve aandacht voor de dictatoriale tijd wordt vervangen door een poging om kleine ruimtes te scheppen waarin het goed is om te bestaan. In die microsferen is een intieme resonantie mogelijk met de Andere, wat Sloterdijk ‘de hoofdwet van de intersubjectiviteit’ noemt, de betovering van de mens door de mens. De sferologie is het domein van ‘des structures relationnelles les plus subtiles, presque immatérielles’. Na de heilzame deconstructie van globes en de daaruit voortvloeiende decentrering zijn we nu wellicht in staat om elkaar te bezielen, en bezieling is ‘bezoek dat blijft’. ‘L’âme est quelque chose qui a constamment de la visite.’ Elke liefdesgeschiedenis is een poging om de eerste bel (God-mens; moeder-kind) te herscheppen. De meest intieme zone tussen geliefden is niet hun geslacht, maar hun naar elkaar gewend gelaat.

‘Der eine Kugel ist implodiert, nun gut ─ die Schäume leben.’ In de ‘Schaumberg’ creëren we ‘Mikrosphären’ zoals partners, families, bedrijven, verbanden, aparte bellen die aan elkaar grenzen en zich boven en onder elkaar stapelen, zonder ooit samen te kunnen vallen noch gesplitst te kunnen worden: connected isolations.

We kunnen ons streven naar een ‘Kultur der Gefühle im umfriedeten Raum’ ook letterlijk beleven via het vormenalfabet van hedendaagse architectuur. De bewoner van zo’,n ‘Wohnmaschine’ ervaart zijn woning als een oneindige reeks mogelijkheden, als een ‘Filter gegen den Nihilismus’, een ‘Nische für Selbstverhältnisse’,  een ‘regeneratieve Zone’, een  ‘Knotenpunkt beherbergter Beziehungen’. De woning bestaat uit blazen en bellen, uit containers en celstructuren, die een soort ‘Wohn-Schaum’ vormen, waarin we ons kunnen bevrijden van het gewicht van de wereld en intimiteit ervaren, zodat zingeving mogelijk wordt.

Er zijn ook berichten over jaargang 2016. In de kernredactie verhuizen Saskia de Coster en Atte Jongstra naar de redactieraad. Ze worden in de kern vervangen door Peter Vermeersch, Charlotte van den Broeck en Laurens Ham. De rubriek Tijdschriften wordt nu geschreven door Christophe van Gerrewey. Hopelijk houdt hij het zolang vol als Sven Vitse: 50 keer. En de roedel van de Jonge wolven, met hun kritische briefwisseling, wordt uitgebreid met nieuwe, jonge critici.

 

Hugo Bousset

 

   

Bibliografie

Peter Sloterdijk, Sferen. I Bellen. II Globes. Boom, Amsterdam, 2003 (ingekorte versie van de originele Duitse editie van 1998 en 1999: Sphären I – Blasen en Sphären II – Globen).

Peter Sloterdijk, Sphären III – Schäume. Suhrkamp, Frankfurt am Main, 2004.

Peter Sloterdijk, Ni le soleil ni la mort. Pauvert, Paris, 2003 (de originele Duitse editie dateert uit 2001: Die Sonne und der Tod) (Peter Sloterdijk in gesprek met Hans-Jürgen Heinrichs).

Alain Finkielkraut & Peter Sloterdijk, Les battements du monde. Pauvert, Paris, 2003.