De glazen wand van de werkelijkheid. Over Het plein van Jan-Willem Anker en Brullen van Marie Kessels

Verschenen in: Utopia
Auteur: Daniël Rovers
Jan-Willem Anker, Het plein, De Arbeiderspers, Amsterdam, 2015.
Marie Kessels, Brullen, De Bezige Bij, Amsterdam, 2015.
Download deze tekst in pdf:

 

De dichter Leopold woonde dertig jaar lang in zijn eentje in een huurkamer op de Van Oldenbarneveltstraat 121 in Rotterdam, vlakbij het gymnasium waar hij emplooi had. Het was een drukke straat in het centrum van de stad en het gefluit van de stoomtram, het geklikklak van paardenhoeven en het geroep van spelende kinderen zullen tot in de hoeken van die kamer zijn doorgedrongen, daar getuigen onder meer deze dichtregels van:

 

Door het open raam
waar lenteachtig is de lucht
en wolkenwit, dringt het gerucht
van kinderstemmen in de straat

 

In De kamer van Leopold, een essay over het jarenlange thuis van de dichter, noemt Dick van Halsema de Van Oldenbarneveltstraat een rumoerige straat, door het klokgelui van de nabijgelegen kerk ‘Het Allerheiligst Hart van Jezus’ en vooral door het gedender van de stoomtram in de richting van Schiedam, in 1903 vervangen door een paardentram, na aanhoudende klachten van aanwonenden over geluidsoverlast. Leopold heeft van al dat lawaai weinig hinder ondervonden, schat Van Halsema. De dichter was niet alleen slechthorend, maar hij had ook de gave zich ‘tot ondoordringbaarheid toe’ te kunnen ‘wegconcentreren in zichzelf’. Als hij zich al ergens aan stoorde, dan aan de leerlingen en collega’s die bij hem op bezoek kwamen. In de loop van de jaren werd hij steeds terughoudender, zo niet paranoïde in het onderhouden van sociale contacten. Van Halsema spreekt van een toenemende afgeslotenheid en een steeds hechter, eenzelviger wordende ‘organisatie van dit kwetsbare bestaan’.    

Ruim honderd jaar later woont dichter en romancier Jan-Willem Anker niet in het centrum van Rotterdam, maar in de Vogelbuurt in Amsterdam-Noord. En hij woont daar niet alleen, maar samen met zijn vriendin en zoon. In een hoekhuis op de begane grond aan een onopvallend pleintje wordt hij al snel na zijn verhuizing op de nadelen van de woning gewezen: het lawaai dat ’s morgens en ’s middags en ’s avonds en ’s nachts het huis binnendringt. Hij voelt zich in de loop van maanden onteigend, amper nog in staat om te lezen, laat staan te schrijven omdat hij zich door het voortdurende straatrumoer van voetballende, schreeuwende en rotzooi trappende kinderen niet meer kan concentreren, niet eens meer één enkele gedachte kan volgen, en wordt vervolgens nog verder in de verdrukking gebracht door het gestamp van de bovenburen, het janken van de schuurmachine van de achterburen en de geluidsinstallatie van de overburen. Hij wordt zo gevoelig voor geluid, élk geluid, ook als dat objectief beschouwd helemaal niet zo storend kan zijn, dat hij het idee krijgt dat zijn huis niet meer het zijne is en dat hij het verplicht moet delen met het hele pleintje en zijn wisselende samenstelling van (mis)gebruikers die bij hem naar binnen komen ‘gemarcheerd’. Om deze rampzalige situatie zin te geven, of om gewoon zijn verstand niet te verliezen, begint hij aantekeningen op een blog bij te houden die hij later bewerkt tot een boek met de even rudimentaire als passende titel Het plein. Aanvankelijk, zo tekent hij aan in zijn pleindagboek, doet het schrijven hem goed. Bij incidenten en calamiteiten, die zich voordoen met de regelmaat van een stellingenoorlog, veert hij op en noteert wat hij ziet. Opeens is de overlast niet alleen maar storend, maar ook stof om over te schrijven. Heel lang houdt dat hervonden schrijversgeluk niet aan, want het noteren neemt de overlast natuurlijk niet weg en de wanhoop komt weer terug, doffer en taaier dan eerst. Mooi en met wrange ironie verwoordt Anker zijn situatie al in het motto van Het plein, afkomstig van de aristocraat Xavier de Maistre, uit Reis door mijn kamer: ‘Zou er iemand bestaan die zo ongelukkig en zo ontheemd is, dat hij niet eens een kamertje heeft waarin hij zich kan terugtrekken en zich voor alles en iedereen verbergen?’

Het vervolg van deze tekst lees je in de papieren versie van DW B 2016 1 en in de pdf hierboven.