Immaterieel

Verschenen in: Het immateriële

‘Kijk dan toch, abstracties zijn dingen!’

Arjen Duinker

 

‘De afgelopen decennia is de taal waarmee we immateriële waarden uitdrukken, ernstig verschraald’, zo stelde Bas Heijne  in NRC Handelsblad.1 Aanleiding voor deze vaststelling waren  de studentenprotesten tegen de kille rendementslogica aan de Nederlandse universiteiten. Heijne analyseert het achterliggende probleem als een kwalijke hiërarchie tussen twee vertogen: de ‘taal van meetbaarheid’ versus het ‘taaltje van creativiteit en nieuwsgierigheid’, dat vanuit het perspectief van die eerste vaak als wereldvreemd en in het beste geval als idealistisch wordt weggezet.

Enkele dagen eerder presenteerde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid de verkenning Cultureel herwaarderen. Daarin wordt geponeerd dat kunst niet in de eerste plaats moet worden beoordeeld op sociale en economische effecten, maar juist op de eigenstandige, ‘culturele’ waarde.2 

Toeval? We denken van niet. De kritiek op de mercantilisering van immateriële waarden zwelt de laatste tijd steeds verder aan en dat lijkt ons zonder meer terecht. Toch legt ze een paradox bloot waarvan men zich misschien niet helemaal bewust is. In het economische regime dat sinds de jaren 1970 de westerse samenlevingen overheerst, blijken het materiële en het immateriële nauwer met elkaar verweven dan hun eenvoudige oppositie suggereert. Veelzeggend zijn de benamingen voor dit bewind, zoals ‘kenniseconomie’, ‘cognitief kapitalisme’ en ‘informatiemaatschappij’. Meer dan het vaak gebruikte begrip ‘postfordisme’, dat vooral verwijst naar flexibilisering in de productie, benadrukken deze drie termen het belang van het immateriële. 

De Britse sociaalgeograaf David Harvey en de Italiaanse filosofen Paolo Virno en Antonio Negri bespeuren in de afgelopen decennia dan ook een tendens naar ‘immaterialisering’ van de economie, waarbij niet alleen virtuele financiële transacties, maar ook kennis, creativiteit en communicatie een dominante positie verwerven in de productie van meerwaarde. De ontwikkeling van talige, artistieke en intellectuele vermogens staat in dit economische model minder haaks op rendement dan op het eerste gezicht lijkt. Zo voorziet de immateriële arbeid de economische machine – die haar uitholt en aan zich onderwerpt – van de noodzakelijke brandstof.

 

 

 

Het vervolg van deze tekst lees je in de papieren versie van DW B 2015 3.