Aantekeningen over het onaffe

Verschenen in: Finissages
Auteur: Sven Vitse


Het is een gemeenplaats dat literaire werken nooit ‘af’ zijn: de lezer wekt ze immers bij iedere lectuur opnieuw tot leven, in steeds weer andere contexten, zodat de lectuur van een tekst nooit echt ophoudt. Er zijn ook auteurs die hun werk de kans niet geven tot stilstand te komen, bijvoorbeeld door het onophoudelijk te herschrijven en aan te vullen. Sybren Polet is zo’n auteur die niet alleen de geest maar zelfs de letter van zijn tekst geen moment van rust gunt. De voorbije jaren reviseerde hij zijn ‘Lokiniade’, de romancyclus rond de figuur Lokien waarmee hij vanaf de jaren 1960 bijdroeg aan de vernieuwing van het naoorlogse proza. In 2014, het jaar waarin de auteur negentig werd, verscheen bij de Wereldbibliotheek De noodzaak van het overbodige, een bundel (deels eerder gepubliceerde) aantekeningen en beschouwingen, samengesteld en van een nawoord voorzien door Laurens Ham. Na een literaire loopbaan van bijna zeventig jaar is Polet met zijn werk nog lang niet klaar. Zolang hij leeft, zal het niet af zijn. En dan begint het natuurlijk pas.

 

‘Experiment mens. Geen monster is ooit mislukt of onaf.’ Want van het monster bestaat geen model, geen ideële standaard, en dus is er geen criterium om te bepalen wanneer het geslaagd is, wanneer het ‘af’ is. Voor de mens geldt eigenlijk hetzelfde, aldus Polet. Een ‘ideaalbeeld van de mens’ is niet voorhanden, daarom ‘bestaan er alleen maar mensen (en monsters) die noch mislukt noch gelukt zijn’. Welk genre leent zich beter voor de formulering van dergelijke gedachten dan dat van de aantekeningen? Zwevend tussen de singuliere gebaldheid van het aforisme en de meer uitgekiende retorische structuur van het essay biedt de aantekening aan schrijvers de vrijheid van het monsterlijke zonder model.

Niet toevallig is de aantekening een wijkplaats voor auteurs die zich in de traditionele literaire genres niet heel erg thuis voelen. Sybren Polet voelt zich al een mensenleven lang in alle genres thuis, zolang ze maar niet volgens een model beregeld worden. Literatuur hoort immers geen regels of modellen te hebben. ‘Zodra ze er zijn werken ze normatief en dus anticreatief of zelfs destructief t.a.v. (andere) mogelijkheden.’ Niet alleen beperken ze de mogelijkheden, ze stigmatiseren de minder frequent verkende paden tot andere mogelijkheden, die daardoor hetzij als afwijking worden gezien, hetzij tot een (ander) model worden verheven. In het eerste geval blijven ze hangen in het vagevuur van de ‘onaffe’ probeersels, in het tweede geval onderwerpen ze zich aan een nieuwe norm voor wat ‘af’ is.


Het vervolg van deze tekst lees je in de papieren versie van DW B 2015 1.