Crisis als inspiratie? Koffie van Marc Kregting

Verschenen in: Verloren post
Auteur: Sven Vitse
Marc Kregting, Koffie, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2013.
Download deze tekst in pdf:


Toeval of niet: enkele dagen voor ik begon te lezen in Marc Kregtings Koffie had ik de begrafenisplechtigheid van Jacq Vogelaar bijgewoond. Aangezien Kregting een van de weinige literaire erfgenamen van Vogelaar is (inclusief het expliciete politieke engagement), ontsnap ik er niet aan Koffie in het licht van diens laatmodernistische experimentele proza te lezen. Mijn beschouwing over Kregtings proza wordt daardoor haast onvermijdelijk een reflectie over zin en onzin van deze vorm van literair experiment vandaag. Met ‘deze vorm’ bedoel ik experiment dat uit politieke onvrede en een ideologiekritische visie op taal is geboren; experiment dat de lectuur op microniveau bemoeilijkt en de leeservaring zin na zin ontregelt. Dergelijk experimenteel proza wordt vandaag in de Nederlandse literatuur nauwelijks nog geschreven: samen met Lucas Hüsgen (in Plooierijen van geschik) is Marc Kregting er een eenzame vertegenwoordiger van.

        Net als in eerdere beschouwingen (en net als collega-auteur en -essayist Marc Reugebrink) cultiveert Kregting in Koffie enig heimwee naar de poëticale debatten van de jaren 1970, naar de periode van de zogeheten ‘richtingenstrijd’ (inclusief talrijke referenties aan het contemporaine linkse terrorisme van de RAF). Toen leek de literatuur (meer dan nu) de inzet van een debat, leek dat literaire debat (meer dan nu) een maatschappelijke inzet te hebben, en leek de experimentele literatuur bovendien een gevestigde stem in dat debat te veroveren. Hoewel de literatuurgeschiedenis de neiging heeft poëticale debatten en het maatschappelijke belang ervan uit te vergroten, kan ik me niet van de indruk ontdoen dat Kregtings proza in de hedendaagse literatuur een dergelijk poëticaal referentiekader ontbeert. Niet toevallig wellicht bestaat het culturele referentiekader van Koffie hoofdzakelijk uit filosofie, politieke theorie en cultuurkritiek, alsof daar de intellectuele dynamiek gezocht moet worden die in het literaire veld ontbreekt.

        Of Kregtings proza literair debat zal initiëren is nog maar de vraag; daarvoor lijkt de onenigheid bij de believers te klein en de onverschilligheid bij de non-believers te groot. Wat is dan de status van het literaire experiment indien dit geen polemische inzet heeft (of kan hebben)? Experiment om louter esthetische redenen zou immers bij voorbaat een terugtocht zijn uit het debat dat zo node gemist wordt.


Het vervolg van deze tekst lees je in de papieren versie van DW B 2014 3 en in de pdf hierboven.