Jonge wolven XI: Banaal kwaad en de grenzen van de empathie. Over het inleven in antipathieke personages bij Hemmerechts en Vernes

Kristien Hemmerechts, De vrouw die de honden eten gaf, De Geus, Amsterdam, 2014.
Timur Vernes, Daar is hij weer, De Bezige Bij, Amsterdam, 2014.
Download deze tekst in pdf:


Beste wolven,


Laurens stelde voor om te onderzoeken in hoeverre wij ons in kunnen leven in antipathieke personages en koos dan ook meteen twee extreem antipathieken uit: Michelle Martin zoals verbeeld door Kristien Hemmerechts in De vrouw die de honden eten gaf (2014) en Adolf Hitler zoals Timur Vermes hem tot leven wekte in Er ist wieder da (2012; vertaald als Daar is hij weer, 2013). Laat ik beginnen met Michelle Martin, ‘Odette’ genaamd in Hemmerechts’ roman. Martin wist van de ontvoeringen en verkrachtingen door haar toenmalige echtgenoot Marc Dutroux, maar deed niets. Terwijl Dutroux in de gevangenis zat, bezocht ze zijn huis, waar hij Julie en Mélissa in de kelder had opgesloten. Ze bevrijdde de meisjes niet, gaf hun eten noch drinken. Ze bekommerde zich alleen om de honden. Onbegrijpelijk. Hemmerechts ziet het als haar taak als schrijfster om te proberen juist dit onbegrijpelijke te begrijpen. Dat is een logische impuls, bij de grenzen van wat we kunnen bevatten begint de verbeelding. Maar de vorm die Hemmerechts aan haar verbeelding heeft gegeven, vind ik onbevredigend, zowel op literair als op psychologisch niveau.

        Hemmerechts laat alleen Odette aan het woord, vanuit een ik-perspectief. Deze Odette lijkt op het eerste gezicht een oninteressante figuur, met een voorliefde voor clichés (‘Ik heb gevochten. Als een leeuwin.’ (12)) en een neiging tot napraten van haar psycholoog (‘Daarom ben ik een gemakkelijke prooi voor foute mannen.’ (9)). Zij ziet zichzelf als slachtoffer en begrijpt niet waarom de mensen haar haten, terwijl vrouwen die hun eigen kinderen hebben vermoord zo weer vergeten zijn. Odette beschouwt zichzelf als een goede moeder. Ik heb me met moeite doorheen haar klaagzangen geworsteld. Hemmerechts heeft misschien de banaliteit van het kwaad willen neerzetten – zij zal haar motto niet voor niets aan Hannah Arendt hebben ontleend – maar dat gaat ten koste van het schrijven van een goed boek.

        Wellicht struikelde Hemmerechts daar gaandeweg zelf ook over. Het verhaal wordt boeiender zodra Odette een januskop blijkt te hebben. Zij is niet uitsluitend het gehoorzame slachtoffer, zij heeft ook een sadistische kant, al uit die zich vooral in haar fantasieën. Over beschuldigingen dat zij de verkrachtingen zou hebben gefilmd zegt ze: ‘Ik bén beschaamd over wat ik zou hebben gevoeld áls ik ze had gefilmd: vreugde. Opwinding. Triomf.’ (152) Ook de expliciete seksscènes met Dutroux maken het boek en Odette minder tam en daarmee interessanter, maar niet sympathieker. In hun studie ‘Some Like It Bad: Testing a Model for Perceiving and Experiencing Fictional Characters’ (2005) toonden Elly A. Konijn en Johan F. Hoorn het al experimenteel aan voor films: onze algemene waardering voor gemene personages is niet lager dan voor aardige. 


Het vervolg van dit artikel lees je in de papieren versie van DW B 2014 4 en in de pdf hierboven.