De illusie van een antenne. Over Wij totale vlam van Peter Verhelst

Auteur: Jeroen Dera
Peter Verhelst, Wij totale vlam, Prometheus, Amsterdam, 2014.
Download deze tekst in pdf:

Een naam geschreven in water
‘Ce n’est pas le cierge qui fait la flamme, c’est la flamme qui a fait le cierge’, luidt een beroemde uitspraak van Paul Claudel. Ik vermoed dat Peter Verhelst met die woorden zal instemmen: in zijn jongste poëziebundel Wij totale vlam speelt het vuur een vergelijkbare dubbelzinnige rol. Waar Claudel suggereert dat de vlam de kaars zowel maakt als breekt, heeft de ‘totale vlam’ van Verhelst eveneens twee kanten: enerzijds symboliseert ze de passionele overgave aan de liefde als ultiem geluksmoment; anderzijds staat de vlam voor de onafwendbare destructie die de mens uiteindelijk te gronde richt. In het gedicht ‘Weet je nog?’ wordt dit spanningsveld nader uitgewerkt:


Weet je nog toen we op de toppen van onze tenen op de rand
Van een berg leek het wel, die keer dat we jubelend, een seconde,
Niet langer, enkele millimeters over de rand leken we, nooit eerder
Dan tijdens die onsterfelijke, die ene ongelofelijke trilling
Die er achteraf gezien misschien niet eens, die ene vlam
Die uit ons opschoot, zeiden we, of die we hadden kunnen zijn, dachten we,
Buiten adem, die seconde die eeuwig leek, dat dansen, dat juichen,
En we de seconde erna al, hoe is het mogelijk dachten we, en dat we ons nooit
Eerder zo overvol, hoe we wisten dat we vanaf nu elke seconde verder, weet je nog
Hoe we, zeiden we soms, dat we wisten dat we nooit meer, dat we er altijd
Aan zouden denken hoe de lont vanaf nu verder, almaar verder, onherroepelijk
Elke millimeter een millimeter dichter bij die andere, die totale vlam
Die ons vanaf nu in een totaal andere vorm begon te likken.


Verhelst maakt hier een onderscheid tussen de ‘ene vlam’ uit de vijfde regel en ‘die andere, die totale vlam’ uit de voorlaatste regel. De eerste komt voort uit de wij-figuren en representeert de seconde waarop de twee zich even onsterfelijk wanen. Dat jubelende moment is gesitueerd op een plek die letterlijk een hoogtepunt vormt: bovenop een berg, zelfs aan de rand ervan, waar de protagonisten op hun tenen gaan staan om de extatische roes te beleven. Getuige de vele afgebroken zinnen waarmee de gedachten tijdens die ervaring beschreven worden, lijkt dit een ogenblik te zijn, dat niet in woorden te vatten is. De haperende taal markeert echter ook de overgang naar de ‘andere vlam’, die ‘onherroepelijk’ is en de roes wreed doorbreken zal. Het vuur zal het tweetal onvermijdelijk in een ‘totaal andere vorm’ likken: het moment op de rots kan nooit worden herbeleefd en is gedoemd een gefragmenteerde herinnering te worden, totdat de wij-figuren compleet door de vlam aangevreten zijn en gelijk een opgebrande kaars over de figuurlijke rand van de dood vallen.  


Het vervolg van dit artikel lees je in de papieren versie van DW B 2014 4 en in de pdf hierboven.