Engelbewaarders en autobiografen. Echo's van W.F. Hermans in Post Mortem van Peter Terrin

Verschenen in: De lente
Auteur: Marc van Zoggel
Peter Terrin, Post Mortem, De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 2012.
Download deze tekst in pdf:


‘Snobisme is troef in de autobiografische branche. Omstandigheden die niets te maken hebben met de literaire kwaliteit van de tekst, bepalen de verkoopcijfers en de gretigheid van de lezers.’ Het lijkt een hedendaagse noodkreet, maar het citaat stamt uit 1978. Wie zich hierover beklaagde, was Willem Frederik Hermans, die in zijn krantenartikel ‘Opmars der dagboekaniers’ de dood van het verzonnen verhaal aankondigde: ‘Als je de tijdschriften, jazelfs de kranten doorkijkt, krioelt het evenwel van de dagboekschrijvers en autobiografen. Het gefingeerde verhaal is in Nederland zo goed als uitgestorven.’ Klaagzangen over de verdringing van de literatuur van de rijke verbeelding door het ‘goedkope’ autobiografische verhaal zijn echter van alle tijden. De dood van de roman wordt met even grote regelmaat verkondigd als het einde van de wereld. Maar zoals er toch elke keer weer een nieuwe dag is aangebroken, zo zijn er ook altijd weer nieuwe grote fictieschrijvers opgestaan.
       
Waarom zijn waargebeurde verhalen zo populair? De behoefte aan identificatie wordt vaak genoemd als belangrijke reden voor het succes van bekentenisliteratuur. De lezer zoekt naar identificatie met leven en lot van een protagonist ter verheldering, verantwoording  of verzachting van het eigen bestaan. Wanneer, zoals bij autobiografisch proza het geval is, de protagonist niet alleen echt bestaat maar zelfs gelijkgeschakeld kan worden met de schrijver van het relaas, dan verkleint dat de afstand tussen de lezer en zijn gezochte spiegelbeeld: de lezer ervaart een verwantschap met de hoofdpersoon en aangezien deze figuur een kopie van de auteur is, vindt er als het ware direct contact plaats tussen lezer en auteur. De vereenzelviging met vlees en bloed is waarachtiger dan de geestverwantschap tussen een warmbloedige lezer en een personage dat uiteindelijk toch nooit het papier en de inkt kan ontgroeien. Dit verklaart ook deels de collectieve verontwaardiging die soms de kop opsteekt, wanneer een als ‘waargebeurd’ aangeprezen verhaal toch verzonnen blijkt te zijn. Meer nog dan afkeer van de auteur die zich ten onrechte een fictief leven heeft toegeëigend, voelen we ons belazerd omdat we zelf als lezer te gretig de uitgestoken hand hebben aangenomen.
       
Toch kan een behoefte aan identificatie niet de enige verklaring zijn. Als we namelijk in ogenschouw nemen welk type autobiografisch proza tegenwoordig het populairst is, dan betreft dat zelden boeken die een waarheidsgetrouwe kopie van het dagelijkse leven bieden, dat wil zeggen: het leven in al zijn facetten en dus ook zijn herhalingen en banaliteiten. Nee, de meeste lezers voelen zich aangetrokken tot het subgenre van wat ik maar even het ‘autobiografische leedproza’ noem: tranentrekkers over jonggestorven geliefden, verongelukte kinderen, doodzieke naasten, enzovoort. Het leespubliek consumeert ze met ongekende gretigheid. Ook hier speelt de kwestie van identificatie ongetwijfeld een rol. Lezers die door hetzelfde noodlot zijn getroffen, vinden soelaas in het lezen van getuigenissen van lotgenoten. Dat biedt de lezer vertroosting, helpt hem de eigen situatie te begrijpen en het leed een plek te geven en heeft zo meerdere functies in het verwerkingsproces. Zoals de auteur de ellende van zich af schrijft door zijn leed en daarmee zichzelf in zekere zin aan de lezer aan te bieden, zo leest de lezer de ellende van zich af door zich aan de auteur en zijn personage te spiegelen.

De volledige tekst lees je in de bijgevoegde pdf.