Jonge wolven VII: Circus en cel. Over recente poëzie van Ester Naomi Perquin en Delphine Lecompte

Verschenen in: Op leven en dood
Ester Naomi Perquin, Celinspecties, Van Oorschot, Amsterdam, 2012.
Delphine Lecompte, Blinde gedichten, De Bezige Bij, Amsterdam, 2012.
Download deze tekst in pdf:

Beste wolven,
‘Veel mensen hebben gewild dat ik iemand was, soms iemand / die ik was geweest, soms iemand die ik zou moeten zijn’, schrijft Ester Naomi Perquin in haar tweede bundel Namens de ander (2009). Het zijn exemplarische regels voor haar nog jonge oeuvre, waarin we getuige zijn van haar zoektocht naar identiteit. Haar debuutbundel Servetten halfstok (2007) – de titel zou moeten worden bekroond – zette wat dat betreft stevig in met het gedicht ‘Reïncarnatie’:

       Wil iemand in mijn benen lopen,
       in mijn mond zijn woorden leggen
       en in mijn handen stijve vingers
       soepel strekken voor pianospel
       of strelen – wie wil mij aan?

       Word ik de eerste keus of heeft
       een mooier lichaam niet gepast?
       Lig ik opgevouwen achteraan of
       hang ik breeduit in de etalage?

       Hoe weten zij hoe ik mij was?
       Welk nog onzichtbaar etiket
       is in mijn nekrand vastgezet?

Waar openingsgedichten van een oeuvre nogal eens poëticaal of programmatisch willen zijn, is dat van Perquin letterlijk een vraagteken. Al voor haar poëzie goed en wel geboren is, presenteert de dichteres zich als een dolend kledingstuk dat op zoek is naar een nieuw lichaam – onwillekeurig moet ik hierbij denken aan zwevende lakens uit spookachtige strips. Wie is nu Perquin? Aan wie wil zij haar woorden ontlenen? Zoals blijkt uit de tweede regel weet zij het zelf geenszins.
       Gelukkig voor dit spokende ‘ik’ neemt Perquin in haar nieuwe bundel Celinspecties (2012) het heft in eigen hand en draait zij in de openingsstrofe de situatie om: ‘Liet me argeloos vallen die dag in andermans leven, andermans / autorijles, boodschappenlijstjes, college, in andermans / aarzelingen, beginnende benen op dansles.’ Ditmaal wacht de dichteres de reïncarnatie niet af, maar gaat zij zelf op een verkennend onderzoek uit. De etiketten die zij daarbij in haar nekrand vastzet, zijn die van een tiental (louter mannelijke) criminelen, onder wie tienermoordenaar Dennis de K., winkelcentrumschutter Bart V. en wurger David H. In tegenstelling tot YouTube-gebruikers die blijven steken in statements als ‘hak zijn ballen eraf!’ en ‘levenslang opsluiten!’, zoekt Perquin naar de verborgen drijfveren, verlangens en angsten van de misdadiger. Zo blijkt inbreker Carlos ‘De Veroveraar’ da C. geen ‘droeve, / hongerige dief op zoek naar spullen’, maar een estheticus.

       Was er een huis, uit ijzer en beton gegoten, zes man bewaking op de muur,
       toegangswegen afgesloten; ik kwam erin. Ik nam niet eens iets mee,
       geen schat of souvenir – dit zat de oude rechter dwars, een man
       die nooit de schoonheid zag van ergens zijn, van kamers
       waar geen vreemden kwamen – hij ging maar door
       op wat te halen viel – alsof ik dat niet zag.

Beïnvloed als ik ben door het beeld dat de media schetsen van criminaliteit, vind ik het moeilijk voorstelbaar dat er inbrekers bestaan die het indringen in een privéruimte als een schoonheidsdaad ervaren. Het is duidelijk dat Carlos da C. hier omhuld is door het laken van Perquin, waardoor de identificatie met de crimineel beslist bemoeilijkt wordt. De vraag is echter of dat een zwaktebod is. In feite werkt de poëzie in Celinspecties op twee manieren vervreemdend: enerzijds wordt de lezer gedwongen te reflecteren over de menselijkheid van misdadigers, anderzijds moet hij of zij voortdurend nagaan op welke manier Perquin in hem gereïncarneerd is. Wat dat tweede betreft zou je je met de woorden uit Servetten halfstok kunnen afvragen: ligt Perquin opgevouwen achteraan, of hangt zij breeduit in de etalage?

Jeroen

Het volledige artikel lees je in de pdf.