'Nee, het is duidelijk dat we ons in een crisis bevinden, maar welke?' Over poëzie en poëtica van Jeroen Mettes

Verschenen in: Op leven en dood
Auteur: Sven Vitse
Jeroen Mettes, Nagelaten werk., Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2011.
Download deze tekst in pdf:


Ik heb in mijn leven al vele boten gemist, maar de meeste daarvan bleken naderhand, alsof ik het had aangevoeld, in brak water te stranden. Eén boot had ik eigenlijk gewoon niet mogen missen: de blog Poëzienotities van Jeroen Mettes. Ik geef het ootmoedig toe: ik heb hem nooit gelezen. Dat die nalatigheid ook een gemis was, ben ik onlangs te weten gekomen dankzij Piet Joostens, Frans-Willem Korsten en Daniël Rovers, de toegewijde bezorgers van Jeroen Mettes’ nagelaten werk. In 2006 maakte deze jonge Nederlandse dichter, criticus en academicus een einde aan zijn leven. Vorig jaar verscheen een groot deel van Mettes’ kritische en poëtische productie in twee fraai uitgegeven delen: Weerstandsbeleid bundelt blognotities en langere essays, N30 + omvat het lange prozagedicht N30 en twee kortere reeksen.
       Open deur: met Jeroen Mettes heeft de Nederlandse letterkunde een groot talent verloren. Het is echt zo. Zijn blog heeft typische karakteristieken van een blog – vluchtigheid, redundantie, fragmentarisme – maar getuigt van een nietsontziend engagement, van analytisch en polemisch talent, én van gevoel voor humor. Dat engagement uitte zich bovendien in een sterke betrokkenheid bij de nationale en internationale politiek en in een ingehouden woede die vaak een kwelling moet zijn geweest. Die oprechte boosheid is volgens mij op elke pagina te voelen en maakt Mettes’ kritische interventie extra pregnant. Zijn langere essays verraden naast een kritisch ook een academisch talent. Maar zijn plaats in de Nederlandse literatuurgeschiedenis verovert Mettes – gesteld dat het hem iets kon schelen – wellicht vooral met N30, een verpletterend montagegedicht in proza dat in iets meer dan tweehonderd pagina’s niet veel minder dan de wereld op je bord gooit.

Verwondering
De blog Poëzienotities lijkt voor Mettes zowel vrijplaats als arena te zijn geweest. Hij kon er een voorproefje van zijn prille, op Deleuze en Guattari gebaseerde poëzietheorie in kwijt en hij kon er zijn poëticale ideeën scherpen aan recente Nederlandstalige dichtbundels (die hij alfabetisch in een ‘Dichtersalfabet’ besprak). Ondertussen kon hij de (tegen)aanval inzetten op de Nederlandse poëziekritiek. De blog lijkt bovendien de langere essays te hebben gevoed.
       In een artikel over de poëzie van Arjen Duinker wijst Mettes ‘twee dominante poëtica’s’ in de hedendaagse Nederlandstalige poëzie aan. De eerste noemt hij ‘de verwonderingspoëtica’, de tweede ‘de postmoderne poëtica van de “verstoorde lezer” of het semantisch sublieme’. Aan de poëtica van de verwondering ergert Mettes zich al in een stukje over Robert Anker in het ‘Dichtersalfabet’. De vergelijking van ‘de dichtersblik […] met de kinderlijke blik’ leidt in te veel Nederlandse poëzie tot een obligate ‘“verwondering” over het alledaagse’ waar volgens Mettes ‘iets fundamenteels mee mis [is]’.
       Iets concreter wordt het in de blogpost over Degenaar. Mettes introduceert hier de term ‘softsurrealisme’ – naar analogie met softporno – om de logica van de verwonderingspoëtica te duiden: het ‘softsurrealisme’ alludeert op het ‘irrationele’ en het ‘abjecte’ dat ‘de rationele orde’ tracht uit te sluiten, maar het trekt zich uiteindelijk op een zedige afstand terug. Het ‘softsurrealistische’ gedicht toont het alledaagse zó dat het ‘een beetje minder alledaags wordt’, zonder echter die alledaagse werkelijkheid te verontrusten of te ondermijnen. Aan het einde van dit stukje maakt Mettes een lastige maar prikkelende gedachtesprong: de ‘vervreemding’ en ‘verwondering’ staan in dit type poëzie ‘in dienst van de bevestiging van de dingen zoals ze zijn d.m.v. een epifanische consumptie’. Dit betekent, als ik het goed begrijp, dat de kinderlijk verwonderde dichtersblik een ideologische reflectie – een poging tot negatie – is van de onvrije blik van de (media)consument. Mettes’ volgende zin suggereert een proces van fetisjering, waarbij ‘[d]e verbeelding van de consumptie […] zelf geconsumeerd [wordt] in de vorm van de obligate verwondering’. De dichter consumeert zijn eigen verwonderde blik, hij ziet in eerste instantie zichzelf kijken.
       Tonen deze blogposts al een glimp van Mettes’ materialistische leeswijze, in het artikel over Duinker klinkt het betoog nog een stuk gesofisticeerder. Mettes voegt aan zijn poëticale kritiek een filosofische laag toe. Hij maakt een onderscheid tussen twee werelden of werkelijkheidsniveaus: de wereld van ‘de fenomenen zoals ze aan ons verschijnen’ en ‘de wereld zoals die geaffirmeerd wordt in een productief handelen’. In deze nogal vaag geformuleerde oppositie resoneert het ontologische onderscheid tussen ‘de zijnden’ en ‘het zijn’ (Heidegger), of tussen ‘het actuele’ en ‘het virtuele’ (Deleuze). De verwonderingspoëzie richt de blik volgens Mettes vooral op de meest direct waarneembare ‘alledaagse verschijnselen’, die dan ook doorgaans ‘scherp en helder’ lijken, terwijl Mettes meer geïnteresseerd is in ‘een wereld waaraan wordt deelgenomen, die wordt gemaakt’. Hem fascineert – in een broeierige mix van Lacan, Deleuze en Guattari, Negri en Marx – vooral de wereld als een productieproces, als een onstuitbare ontwikkeling die drijft op creativiteit en verlangen, en als een streven naar vormeloosheid en ontregeling.


Het volledige artikel lees je in de pdf.