Als iets niet meer leefbaar is, kan het beter afbranden. Over Walter van Daniël Rovers en Brandlucht van Erik Vlaminck

Verschenen in: Op leven en dood
Auteur: Hans Bogaert
Daniël Rovers, Walter, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2011.
Erik Vlaminck, Brandlucht, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2011.


We moeten er niet moeilijk over doen: een blik op de achterflap van Brandlucht en op die van Walter legt meteen de vinger op de fundamentele raaklijnen tussen de meest recente worpen van respectievelijk Erik Vlaminck en Daniël Rovers. Ze wijzen uit dat zowel de personages van Vlaminck als die van Rovers een strijd voeren met hun sociale omgeving en beslissen om bepaalde zekerheden te verloten voor de eigen wil. Ze doen dat op geheel andere terreinen, maar de aard van de strijd is dezelfde: het streven naar betekenis, vrijheid, zelfbeschikking en waarheid.
       ‘U zult niet geweerd worden uit het gewone leven, integendeel, het priesterleven zal u hier op school worden voorgeleefd door een korps van uitgelezen priester-docenten.’ Zo verwelkomt regent De Lepper de nieuwkomers in het seminarie waar de jonge Walter Cosijn is ingetreden om tot priester te worden opgeleid. (Walter, 19) Daniël Rovers beschrijft in vierentwintig scènes, die elkaar chronologisch opvolgen tussen 1950 en 1970, de geschiedenis van een beloftevolle student, die zijn priesteropleiding naarmate de jaren vorderen als een harde (zelf)beproeving ervaart. Zijn overtuiging krijgt te kampen met opvattingen van moderne, existentialistische filosofen, de dood van zijn jeugdvriend Brand Ansems, het veranderende wereldse tijdsgewricht in de jaren 1950-1960 en uiteindelijk ook met zijn totale onbeholpenheid in het echte leven. In een voortdurend getouwtrek tussen de Kerk en het wereldlijke leven moet Walter knokken voor (en met) zijn roeping.
       Met Brandlucht, de opvolger van het goed ontvangen Suikerspin (2008) schreef Erik Vlaminck opnieuw een familiesaga. Hij onderzoekt de verstoorde Sitz im Leben van zijn personages en schetst een aantal opmerkelijke karakters binnen een, om het zacht uit te drukken, eerder profane familie in het Canadese Saint Thomas, nabij Delhi. Een generatie Vlaamse en Nederlandse tabakstelers week in de jaren na de Tweede Wereldoorlog uit naar deze plek. Ze hokten er samen in een vrij geïsoleerde enclave, afgesneden van hun roots door oceanen en zeeën.

De aardappeleters
Erik Vlaminck ontrolt een familiale geschiedenis over verschillende decennia, van 1964 tot 2011, verspreid over drie generaties. Elly is de dochter van Gaston (of Tony) Verkest uit Geel in de Vlaamse Kempen en Mina Strijbos uit het Nederlandse Zundert, en de moeder van Linda. Vlaminck belicht het verhaal telkens vanuit een ander standpunt, met sprongen voor- en achterwaarts in de tijd. Dat literair-technische motief toont Vlamincks vakmanschap en staat toe om bij monde van de personages de geheimen die ze voor elkaar hebben langzaam aan de lezer te openbaren.
       Ieder jaar in mei reist Tony terug naar België om er, zo beweert hij, duiveneieren te kopen om die nadien in Canada te verhandelen. In feite is dit echter een dekmantel om terug te kunnen keren naar het andere gezin dat hij in België heeft. Op een dag laat hij Elly en Mina definitief achter, met een hoop schulden en ellende. Maar ook Mina bedroog haar man: ze dwong Tony om met haar te trouwen, omdat ze ‘in positie’ zou zijn geweest. Mina wilde getrouwd zijn alvorens te gaan samenwonen, zoals het volgens de Kerk betaamt. Dat onthult ze in een brief aan haar Zundertse hartsvriendin. Mina heeft de brief nooit verstuurd, maar verborg hem in de lijst van een kopie van De aardappeleters van Van Gogh, waar haar kleindochter hem pas decennia later ontdekt. Tony zorgde voor een trouwpartij in Niagara Falls, omdat men daar ‘niet al te diep in de papieren keek’ – hij had immers al een trouwboek in Vlaanderen –, terwijl zij dacht dat het een romantische huwelijksreis was. Het is een kat-en-muisspel tussen waarheid en leugen, waarbij die laatste telkens in de staart wordt gebeten.

Het volledige artikel lees je in de pdf.