Krakers en consultants. Afrekenen met de eigen tijd: Joost de Vries en Peter Buwalda

Verschenen in: Clubsandwich
Auteur: Marc van Zoggel
Joost de Vries, Clausewitz, Prometheus, Amsterdam, 2010.
Peter Buwalda, Bonita Avenue, De Bezige Bij, Amsterdam, 2010.


Het aprilnummer 2011 van cultuurglossy Hollands Diep stelde met veel visueel geweld de ‘tien beste schrijvers onder de 40’ aan de lezer voor. Het magazine was te rade gegaan bij vooraanstaande critici van dag- en weekbladen om vast te stellen welke beloften van vandaag de onmiskenbare potentie hebben om uit te groeien tot de reuzen van morgen. Opvallend genoeg stonden er drie debutanten in de top tien: Franca Treur, Peter Buwalda en Joost de Vries. Blijkbaar garandeert een voortreffelijk debuut meteen een vrijkaart voor de Parnassus. Of de debutanten dan daadwerkelijk gebruik zullen maken van dit privilege is vers twee. Zo’n debuut kan immers ook verlammend werken, zo is genoegzaam bekend.
      
In dit stuk bespreek ik de debuutromans van de twee mannen van het genoemde trio. Wat meteen opvalt, is dat de kloeke roman van Buwalda, Bonita Avenue (2010), onverdeeld positief is ontvangen, terwijl De Vries’ eersteling Clausewitz (2010) wisselende reacties heeft uitgelokt. Alleen Elsbeth Etty stak oorverdovend de loftrompet en deed zelfs kond van ‘een keerpunt in de Nederlandse letteren’. Nu bombardeert Etty regelmatig een debuut tot nieuw hoogtepunt in de vaderlandse literatuur, dus daar hoeven we niet per se van op te kijken. Interessanter is dit keer de argumentatie. Etty leest Clausewitz namelijk als de stem van een radicale verandering in de maatschappelijke werkelijkheid. De roman vertegenwoordigt ‘op magistrale wijze een wisseling van de wacht in de cultuur, de politiek en de dominante ideologie’. Dat is nogal wat. Concreet komt het erop neer dat De Vries met zijn boek zou afrekenen met ‘de generatie van Mulisch en haar linkse idealen en dogma’s’.
      
In Clausewitz komt inderdaad een kring schrijvers voor die sterk doet denken aan de befaamde herenclub van Mulisch. We herkennen de meester zelf in Henk Koetsier, een man ‘in fluwelen jacquet, die op een balkon een pijp rookt’ (75). Koetsier-Mulisch is de pineut, aldus Etty: ‘Wij maken nu een literair-historische regime change mee en Joost de Vries laat de koppen van zijn voorgangers genadeloos rollen.’ Alle lof ten spijt doet Etty’s wellicht op Thomas Vaessens geïnspireerde duiding van Clausewitz de roman geen recht. De Vries biedt namelijk geen alternatief voor na de machtswisseling. Hij is niet de vaandeldrager van een nieuwe generatie, integendeel: hij rekent net zo scherp af met zijn eigen tijdgenoten.

 

Voor het volledige artikel: zie de pdf-versie.