Wie spreekt er, wie luistert er? Over Een veelvoud ervan van Arnoud van Adrichem

Verschenen in: Clubsandwich
Auteur: Laurens Ham
Arnoud van Adrichem, Een veelvoud ervan, Contact, Amsterdam, 2011.
Download deze tekst in pdf:


‘Hoe kom je daar nou bij?’ Mijn driejarige nichtje speelt de grotemensenwereld na. Haar woordgebruik, haar intonatie, haar blik zelfs: alles aan haar is een persiflage op de volwassenen die haar dagelijks toespreken. Ze weet precies dat ze het woord ‘daar’ moet benadrukken om het net zo te laten klinken als bij haar ouders: ‘Hoe kom je dáár nou bij? Wijsneus!’ Al parodiërend houdt ze ons een lachspiegel voor en maakt ze ons bewust van ons eigen taalgebruik, dat vaak door en door conventioneel en figuurlijk is. Gesproken door haar mond krijgen de woorden ‘ergens bij komen’ hun letterlijkheid terug.
      
Ze werkt ons op de lachspieren met dit papegaaiengedrag, maar tegelijk verbergt onze lach een gevoel van onbehagen. Het heeft iets onprettigs om de taal zo misbruikt te zien worden door iemand die haar niet beheerst, maar zich erdoor beheerst laat worden. Hier wordt eens te meer zichtbaar dat de taalgebruikende mens niet autonoom is, maar deel is van een systeem van conventies dat hem slechts als spreekbuis gebruikt. Maar tegelijkertijd is mijn nichtje de superieure taalgebruiker die, juist door de conventies te imiteren en oneigenlijk te gebruiken, nieuwe taalmogelijkheden blootlegt.
      
Bij het lezen van de poëzie van Arnoud van Adrichem moet ik telkens aan mijn nichtje denken. In elk gedicht staan clichés, die op een oneigenlijke en ‘letterlijke’ manier worden ingezet: ‘Als dat maar goed afloopt’, ‘De lijnen staan open’, ‘Was dat maar waar’, ‘Kunnen we het even centraal houden?’ Het zijn tekstflarden die van meerdere stemmen afkomstig lijken te zijn en die dezelfde meerkantigheid hebben als de uitroepen van mijn nichtje: in al hun inauthenticiteit zijn ze tegelijkertijd verfrissend, juist omdat het ingesleten taalgebruik opnieuw met letterlijkheid opgeladen wordt. Van Adrichems tweede dichtbundel Een veelvoud ervan roept daarmee, net als het debuut Vis (2008), ten minste twee verschillende interpretaties op. De ene is pessimistisch getint en wortelt in de postmoderne traditie; volgens deze interpretatie benadrukt Van Adrichem in zijn poëzie dat de taal een cel is waaruit geen ontsnappen mogelijk is. De andere, meer optimistische interpretatie grijpt terug op de historische avant-garde en stelt dat juist in poëzie de begrenzingen van de taal en het ego opengebroken kunnen worden.


Voor het volledige artikel: zie de pdf-versie.