Een bundel spieren onder hoogspanning. De (on)controle van Peter Verhelst in Zoo van het denken

Verschenen in: Clubsandwich
Auteur: Jeroen Dera
Peter Verhelst, Zoo van het denken, Prometheus, Amsterdam, 2011.
Download deze tekst in pdf:


In 1968 publiceerde C. Buddingh’ de markante bundel wil het bezoek afscheid nemen? een bestiarium, waarin hij in alfabetische volgorde 37 vertegenwoordigers uit het dierenrijk op komische wijze onder de loep neemt. In de gedichten van Buddingh’ over onder andere de aap, de bidsprinkhaan, de mammoet, het stekelbaarsje en de wesp zijn het echter niet zozeer de dieren, als wel de mensen die te kijk worden gezet. Oog in oog met de apen, bijvoorbeeld, ‘kan zelfs de grootste malloot / de illusie uitleven van zijn meerwaardigheid: / al heeft men ook iedere klas gedoubleerd, / men blijft – dank u! – een wezen van een veel hogere orde.’ Daarnaast zijn er de slak, met een seksuele ‘excitatiecurve / die niet onderdoet voor die van een dronken matroos’, en de krekel, met wie de dichter zich afvraagt: ‘Moet de mens dan altijd / voor een dubbeltje op de eerste rang zitten?’
      
In wil het bezoek afscheid nemen? neemt Buddingh’ het bestiariumgenre stevig op de hak. Een van de voornaamste functies van literaire dierenencyclopedieën – het exposeren van dieren via teksten en afbeeldingen – maakt immers plaats voor de bespotting van menselijke eigenschappen als hebzucht, gewelddadigheid en trots via het dier. Buddingh’ wil geen dieren tentoonstellen in hapklare blokken – niet voor niets opent hij zijn bundel met W.H. Audens woorden ‘Bestiaries are out’ – maar zich op speelse wijze verzetten tegen de zogenaamd vanzelfsprekende superioriteit van de mens over het dier.
      
De dichtbundel van Buddingh’ komt in die zin dicht in de buurt bij de visie op kunst die de filosoof René ten Bos heeft verwoord in zijn boek Het geniale dier: een andere antropologie (2008). Wat Ten Bos betreft lijdt het geen twijfel ‘dat dier en kunstenaar steeds vaker samenzweren tegen de autoritaire neigingen van de mens.’ Een van die neigingen bestaat eruit dat mensen de wereld om hen heen, de natuur incluis, passief en beheersbaar proberen te maken. Dieren, zo stelt Ten Bos, zijn van nature geneigd zich op de achtergrond te begeven, maar het ligt niet in de aard van de mens daar genoegen mee te nemen. Hij is daarentegen erg gedreven het dier te onthullen en te controleren, een drang die we bijvoorbeeld terugzien in de taxidermie, de kunst van het opzetten van dieren. In het verlengde van Hillel Schwartz wijst Ten Bos op een paradox rond deze taxidermie: ‘[T]al van dieren verdwijnen, maar hun kopieën zijn overal te zien. Het dier wordt vervangen door een beeld. Dit beeld is veel makkelijker te beheersen. Het is schoner en mooier. De kopie perfectioneert daarom het origineel.’

Het net rond de roofkat
Als lezer van de jongste dichtbundel van Peter Verhelst, Zoo van het denken, moest ik regelmatig onwillekeurig denken aan de theorieën van Ten Bos. Niet omdat Verhelst dieren probeert te perfectioneren in zijn poëzie, maar omdat zijn gedichten als het ware illustreren waar het de Twentse filosoof om te doen is. Waar de naar coherentie speurende lezer zal proberen de dieren in Verhelsts poëzie te fixeren en onder controle te krijgen, gaan zij voortdurend met hem aan de haal.


Voor het volledige artikel: zie de pdf-versie.