Jonge Wolven V: E pluribus plures. Over De kaart en het gebied van Michel Houellebecq

Verschenen in: Groter en wreder dan ik
Michel Houellebecq, De kaart en het gebied, De Arbeiderspers, Amsterdam, 2011.
Download deze tekst in pdf:

Beste wolven,

De beste omgeving voor het lezen van een roman van Michel Houellebecq is het strand. Vier jaar geleden las ik Platform aan de Spaanse zuidkust, in de zomer van 2011 De kaart en het gebied in Portugal. Beide keren zorgde het boek ervoor dat ik de omgeving niet meer als ‘werkelijkheid’ waarnam, maar als de kunstmatige wereld die in het boek staat geschetst. Houellebecqs romans bevatten boeiende passages over de wetenschap, over honden of verwarmingen – maar het raakst vind ik zijn visie op de toeristen-, amusements- en kunstindustrie, domeinen die bij deze auteur over elkaar heen schuiven. Daarin ben ik het eens met Jean-Pierre Martin die in De kaart en het gebied zegt: ‘[Houellebecq] is volgens mij een goede schrijver. Prettig om te lezen, en hij heeft een behoorlijk juiste kijk op de samenleving.’ (17-18
       D
it is de eerste van een reeks knipogen van de verteller naar de lezer. Het personage Michel Houellebecq – soms in de roman aangeduid als ‘de auteur van Elementaire deeltjes’ (109) of ‘de auteur van Platform’ (113) – speelt een belangrijke rol in het boek. Het geeft Houellebecq – de auteur van De kaart en het gebied – de kans om te zinspelen op zijn posture én reputatie van publiciteitsschuwe kluizenaar. Dat clichébeeld blijft in de roman bewaard, maar tegelijk zit er een verrassend vermogen tot zelfanalyse in, bijvoorbeeld wanneer ‘Houellebecq’ hoog opgeeft van de bordelen in Thailand en Jed Martin opmerkt: ‘Nu speelt u volgens mij een beetje uw eigen rol’ (115). Dat geeft de schrijver meteen toe.
      
Het opvoeren van ‘Houellebecq’ biedt echter vooral een ingang tot kunsttheoretische reflecties. De schrijver gaat een aantal keer met beeldend kunstenaar Jed Martin, de hoofdpersoon van het verhaal, in discussie. In deze roman volgen we hem rond 2010 en daarna (jawel, het boek bevat futuristische passages). Martin maakt naam met foto’s van Michelinkaarten waarop het Franse landschap is afgebeeld en beleeft zijn finest hour als schilder van realistische doeken waarop hij mensen als representant van hun beroep afbeeldt. Daarnaast zijn verschillende parallelle verhaallijnen verweven, waarvan de spectaculairste een detectiveverhaal is: ‘Houellebecq’ wordt in mootjes gehakt en een groep agenten gaat op zoek naar een motief voor de moord. Het verbaast niet dat dat er niet blijkt te zijn – er is alleen de fetisj van een gestoorde verzamelaar, die in zijn verzameling van gewelddadigheden en gruwelijkheden ook de moord op een schrijver heeft willen toevoegen. De moord was slechts een wanhopige poging om een authentieke ervaring te kunnen beleven en om een van Jed Martins schilderijen, Michel Houellebecq, schrijver, met meer betekenis op te laden.
      
Net als in Platform verlangen de personages in dit boek vooral naar echtheid, een toestand die in de gemediatiseerde en door spindoctors vormgegeven hedendaagse maatschappij onbestaanbaar is. Waar in Platform de personages naar seksbestemmingen in Azië reisden voor een ‘authentieke’ seksuele ervaring, daar gebeurt in de nieuwe roman het omgekeerde. Houellebecq toont opnieuw aan hoe goed hij de tijdgeest aanvoelt wanneer hij Frankrijk en Europa beschrijft als traditie ademende vakantiebestemmingen voor de nieuwe rijken in Rusland, China en elders. De industriële rol van Europa is allang uitgespeeld, alle fabrieken zijn tot yuppenwoning of cultureel centrum verbouwd. Nu verliest het Westen in de eerste helft van de eenentwintigste eeuw ook nog eens zijn financiële hegemonie, om als een cultureel reservaat te eindigen. Het is duidelijk dat deze toestand ingrijpende consequenties heeft voor de ambities van een Europese kunstenaar. Aan het begin van de roman wordt beschreven wat de ambitie van de westerse moderne kunst was: ‘[D]e grote schilders uit het verleden werden als zodanig beschouwd wanneer de visie die ze op de wereld hadden ontwikkeld tegelijkertijd coherent en vernieuwend was’ (29). Die dubbele ambitie is nu onmogelijk gebleken. Veelzeggend is een uitspraak van ‘Houellebecq’: ‘[I]k denk dat ik het wel zo’n beetje gehad heb met de wereld als verhaal – de wereld van romans en films, de wereld van de muziek ook. Ik interesseer me alleen nog maar voor de wereld als nevenschikking – de wereld van de poëzie, van de schilderkunst.’ (203)
      
Als de westerse kunst van deze eeuw nog een ambitie kan hebben, dan is het blijkbaar om de wereld te tonen, niet om haar in een alomvattend verhaal te gieten. In de roman schrijft ‘Houellebecq’ dan ook geen proza meer, alleen nog maar gedichtjes. Maar is deze opmerking over de onmogelijkheid van een Grote Westerse Roman niet ironisch in een boek dat precies de ambitie heeft om een grote cultuuranalyse te bieden?

Laurens


Voor het volledige artikel: zie de pdf-versie.