Leesrichtingen. Over de poëzie van Erik Lindner

Verschenen in: Finisterre
Auteur: Laurens Ham
Erik Lindner, Terrein, De Bezige Bij, Amsterdam, 2010.
Download deze tekst in pdf:

Een tijd geleden las ik over een promotieonderzoek van een Nederlandse neurowetenschapper, die had onderzocht hoe witte stof de verschillende hersengebieden met elkaar verbindt. Een van zijn conclusies was dat intelligentie niet zozeer schuilt in één goed ontwikkeld gebied in de hersenen, maar in de mate waarin de delen geïntegreerd zijn. De onderzoeker vergeleek de verbindingen in het hoofd met een net van snelwegen. Daarover moeten zo effectief mogelijk zoveel mogelijk auto’s kunnen rijden. Niet de hoeveelheid asfalt is van belang voor een vlotte doorstroming en de snelste reis van A naar B. Belangrijk is vooral dat automobilisten niet zijstraat X moeten kiezen om bij B te komen. In het brein van intelligente mensen zijn de verbindingen kort en functioneel.
       Politici die op het punt staan weer tot een snelwegverbreding te besluiten doen er goed aan dit bericht ter harte te nemen. Zelf bood het me een mooi beeld voor het overdenken van een kwestie die me al een tijdlang bezighoudt: hoe verwerkt een lezer tekstuele informatie? Het gaat dan natuurlijk vooral om het lezen van een literaire tekst, in het bijzonder een dichtbundel. Wanneer begint een lezer in een tekst dwarsverbanden te ontdekken? Verschilt het per lezer welke verbindingen hij tussen de woorden, de regels, de gedichten en tussen bundels legt? Als we de snelwegmetafoor aanhouden, is dat probleem niet meteen opgelost. Het lezen en herlezen van poëzie is niet alleen een kwestie van nieuwe auto’s zo effectief mogelijk over de snelweg jagen; eerdere auto’s hebben op hun tocht ook van alles achtergelaten. Een botsing met een autowrak, met achteloos uit het raam gegooid zwerfafval of achtergelaten huisdieren is meestal niet te voorkomen. Onze leeservaringen worden immers diepgaand door eerdere leeservaringen beïnvloed.
       Het probleem van het schrijven over poëzie is dat de auteur nooit in staat is om de auto’s live over de snelweg te laten zoeven. De lezer van een literaire kritiek of een essay over literatuur krijgt altijd alleen het ordelijke resultaat te zien. Om nog één keer bij de bovenstaande beeldspraak te blijven: de auto’s zijn niet te zien zoals ze over de weg rijden, maar zoals ze in keurige rijen en mooie patronen geparkeerd staan in een transferium. Dat kan niet anders, maar toch is het jammer. Wat zou het mooi zijn om beter zicht te krijgen op hoe een interpretatie zich vormt, op hoe een lezer besluit tot een bepaalde leesrichting, waarna het vervolg van het leesproces zich daardoor laat sturen.
       Als ik in grote lijnen probeer te reconstrueren hoe mijn leesproces ter voorbereiding van dit essay verliep, dan moet het zo geweest zijn: ik las Terrein anderhalf, twee keer; zoals altijd heen en weer bladerend tussen gedichten. Daarna kwam Tafel (2004), Lindners vorige boek. Vervolgens herinnerden de bundels aan een boek van Mark Insingel, Een kooi van licht (1966) en aan een aantal gedichten van Gaston Burssens en Paul van Ostaijen. Via die dichters en het teruglezen in Terrein en Tafel kwam ik vervolgens uit bij het oeuvre van F. van Dixhoorn. Mijn ideeën draaiden rond een kern die zich maar moeilijk liet opschrijven, zodat ik na een eerste, mislukte versie opnieuw moest beginnen.
       De vorige regels suggereren dat het reconstrueren van een leestraject onbegonnen werk is, en bovendien saai en slecht proza voor de lezer zou kunnen opleveren. Toch heb ik het plan opgevat om mijn traject door Lindners twee laatste bundels in dit stuk uiteen te zetten. Uiteraard kan het alleen maar een gefingeerde, gladgestreken representatie zijn, een constructie achteraf. Toch is het de moeite waard om iets te laten zien van het proces dat ik als Lindnerlezer doorliep. De keuzes waarvoor ik kwam te staan zijn namelijk typerend voor de problemen waarop veel lezers zullen stuiten.


Voor de volledige tekst: download de pdf.