Exploderend poëmelarisme. Over Vederbeds Lumière van Lucas Hüsgen

Verschenen in: Finisterre
Auteur: Gaston Franssen
Lucas Hüsgen, Vederbeds Lumière, Querido, Amsterdam/Antwerpen, 2009.
Download deze tekst in pdf:

Wie begint te lezen in Vederbeds Lumière, de nieuwste bundel van dichter, essayist en romanschrijver Lucas Hüsgen, duizelt het al snel. Hüsgens gedichten lijken alles te willen zeggen: ze boren dwars door de evolutie, de geschiedenis van de film, het periodiek systeem der elementen, filosofisch onderbouwde kritiek op de cultuurindustrie, porno, de snaartheorie enzovoorts. De dichter schiet van west naar oost, van hoog naar laag, om vervolgens in het tweede gedicht, na een tripje naar de maan, terug te ketsen naar de zon, alwaar hij ten slotte tot as vergaat:

       Dichter, beambte van mogelijkheden,
       smikkelt: een altruïstisch verheugen
       op zijn eigen wekelijks verassen,
       bij wijze van bedrijfsuitstapje
       naar de maan en de zon die het meest adequaat
      
zijn knekelen verwoorden.

De lezer die op zoek is naar samenhangende betekenissen loopt hier natuurlijk hopeloos vast: Hüsgens gedichten roepen veel, véél meer vragen op dan dat ze antwoorden bieden. Wat wil deze auteur met zijn lange, voortmeanderende teksten, vol vreemde constructies als ‘vederbedgevecht’, ‘zelfzuchtigheidsvergetelheden’, of ‘hylemorfistische entreeheffing’? Hoe lees je in hemelsnaam regels als de volgende, uit het gedicht ‘De mogelijkheid soso’?

       leg leidingwater x blauwe messen, gedane zaken mogelijk: verixing.

       Een eerlijk goed begin voor afdekking tot het schildpadbleek. Klak.
       Lampenzak tortel: x. Papegaai schieten mis, regelt pronkzucht

       regenwurm die duif x aanlegt als uitbreidt x kantoorklerk. Tjoek.
       Meer dan vijfendertig bloedende doeken hegemonie x: schildpad.


Soms lijken Hüsgens verzen in al hun absurditeit uit een cryptogram te zijn geplukt: ‘Aristocratisch antwoordapparaat / van zachtmoedige tuinman’, lees je ergens, en: ‘Aanhankelijk stel jatte gisteren zowaar / de potkachel’. ‘Twaalf letters’, ben je – al puzzelend – geneigd erachteraan te denken. Maar dan dicht hij plotseling weer in heel alledaagse taal, op het platte af: ‘Vanavond mailt de opdrachtgever de directieven door aan de dienst’, of: ‘De een / met lul, de ander kut, je kent het verhaal’. De dichter is zich terdege bewust van de moeilijkheden waar hij zijn lezers voor stelt, want in een van de gedichten typeert hij zelf zijn poëzie als een ‘krompotig bazeltaaltje’. Elders rept hij van ‘poëmelarisme’ en van een ‘syntax van vergetelheid’. Toepasselijk is ook dat het eerste woord van de bundel ‘Hè?’ luidt, waarmee het onbegrip gelijk is gethematiseerd. Het eerder aangehaalde beeld van de dichter als ‘beambte van mogelijkheden’ is dus zeker van toepassing: je krijgt de indruk dat de auteur, als een op hol geslagen bureaucraat, zich verliest in het inventariseren van wat er in de wereld is.
       De zelfspot die Hüsgen in zijn gedichten laat doorschemeren, neemt niet weg dat deze dichter een bijzonder grote greep wil doen. In zijn nieuwe bundel schetst hij niet alleen een alomvattend tijdsbeeld, maar peilt hij evengoed de verhouding tussen werkelijkheid en verbeelding. Met Vederbeds Lumière heeft Hüsgen, zoals nog wel zal blijken, niets minder dan een hedendaagse versie van The Cantos van Ezra Pound willen schrijven. Wanneer je de bundel in het licht van dat ambitieuze streven beziet, begint zich in de eclectische beeldenstroom van Vederbeds Lumière alsnog een bepaalde regelmaat af te tekenen. De bundel is niet zo chaotisch als sommige recensenten wel hebben beweerd. Hij is wel degelijk programmatisch van opzet, cultuurfilosofisch onderbouwd, en hij zet veel op het spel. Maar de bundel werpt in laatste instantie ook een pijnlijke vraag op, namelijk: is er in dat spel eigenlijk nog wel iets te winnen?


Voor het volledige artikel: download de pdf.