Van verdwenenen een tegenwoordigheid. Mystiek in Germania, een canto van Jacques Hamelink

Verschenen in: Shakespeare in America
Auteur: Jeroen Dera
Jacques Hamelink, Germania, een canto, Querido, Amsterdam, 2010.
Download deze tekst in pdf:

In zijn nieuwste bundel Germania, een canto heeft Jacques Hamelink een gedicht opgenomen over Hamlets Ophelia. Het luidt als volgt:

       Merels, in de losse pereklimop rakelend, pikken klimopbessen.
       Astrante frêle flierefluitertjes doen fragiele wissen wiegen.

       Het gesuikerkorrel overritst de hortensia haar bruin pakpapier.
       Verdorde lavendelstrostengels hebben hun blanke bloemkroon gekregen.

       Het loden marmertafeltje, toegericht voor de kaarsrechte kranke
       Ophelia. Haar kanten doodshemd hangt aan topeinden van twijgen.

       Aan weerszijden van het voor het oog doorvloeiend stroompje teer
      
heeft het verenigde veld uit as en aluminium het voor het zeggen.

Bijna een halve eeuw na zijn debuut De eeuwige dag (1964) kan Hamelinks hand in dit gedicht zonder al te veel problemen worden herkend. Stilistisch is er de barokke overdaad op ritmisch niveau: de alliteraties zijn niet op één hand te tellen, en ook wat klinkerrijm betreft is de dichter royaal geweest. Kenmerkend zijn daarnaast de neologismen (‘gesuikerkorrel’; ‘lavendelstrostengels’) en de Natureingang, terwijl op inhoudelijk vlak de grote macht van diezelfde natuur Hamelinks thematiek in herinnering roept: hier heeft het veld – en niet de mens – het voor het zeggen. Het meest typerend voor Hamelink lijkt mij echter de mate waarin hij een beroep doet op zijn lezers. Bij hem is eruditie vrijwel altijd verondersteld: om dit gedicht te begrijpen, moet de lezer weten dat Ophelia zich in Hamlet verdrinkt in een beekje midden in de natuur, en dan nog zijn er elementen die raadselachtig blijven. Waarom stroomt hier bijvoorbeeld teer in plaats van water? Hoe kan een marmertafeltje vervaardigd zijn uit lood? En hoe zit het met die hortensia en haar pakpapier?
       Dit soort onbegrijpelijkheden in het oeuvre van Hamelink heeft nogal wat commentatoren hoofdbrekens gekost, zeker in het geval van gedichten die niet over een canoniek werk als Hamlet handelen. Veel van zijn critici verwijten Hamelink dan ook dat hij zijn lezers uitsluit: zijn poëzie zou alleen begrijpelijk zijn voor zichzelf, én voor een zeer selecte incrowd die in staat is elke obscure verwijzing te duiden. Met Germania, een canto zal Hamelink dit standpunt bepaald niet ontkrachten. Zo schreef Chrétien Breukers alvast op basis van het openingsgedicht: ‘Hamelink schrijft het soort poëzie dat uitermate geschikt is voor mensen die niet graag gedichten lezen. Of ik begrijp het gedicht gewoon niet, dat kan natuurlijk ook. Mijn poging om dit gedicht te “duiden” loopt stuk op de Frank Boeijen-achtige zinnen, die mij “buitensluiten”.’ Inderdaad krijgt de lezer van Germania, een canto heel wat te verduren. Niet alleen vergt Hamelink kwantitatief heel veel van zijn publiek (de bundel bestaat uit honderd achtregelige gedichten, die – op één uitzondering na – in clusters van drie gepresenteerd worden), ook bevat haast elk gedicht wel een struikelblok dat een lineaire lezing blokkeert.
       Zulke struikelblokken zijn er in allerlei soorten en maten. Ik doe een greep uit de doos: van syntactisch ontsporende zinnen (‘Men tot een harpeling in de ruwe hemel maken de overrijpe, de sprekende / beken’) tot nauwelijks traceerbare verwijzingen (‘Soeatoe sahabat anak-anak’); van ogenschijnlijk epische woordvolgordes (‘Geïmponeerd en roofgierig krijgen met het mes los de goudschroefjes’) tot middeleeuwse spellingswijzen (‘inghescepen instinct’); en van volstrekt onbegrijpelijke passages (‘Víi op de noten in de hand van de eremiet, gecharmeerd door ons in onze / mythologie de charismatabloemen van zijn vlier luzeblommen noemen’) tot moeilijk te volgen overgangen (‘De Vrouw van Fatima groet voor het eerst de regio. ‘Poesjenel’ geeft over de heg in gesprek met de ketterbuur grecoromein Edemon Maes weg’). Ondanks dat Germania, een canto bulkt van dit soort voorbeelden die het hermetische karakter van Hamelinks poëzie bevestigen, maakt de dichter het ons niet onmogelijk om iets betekenisvols over zijn bundel te zeggen. Dat komt met name doordat de bundel in twee opzichten een constructieve lezing van de hermetische passages toelaat: enerzijds kan hij geplaatst worden binnen een mystiek georiënteerde poëtica, en anderzijds in de traditie van Hölderlin.


Voor de volledige tekst: download de pdf.