‘Een liefdevolle liquidatie’. Het autobiografische proza van Tom Lanoye

Verschenen in: Shakespeare in America
Auteur: Hans Demeyer
Tom Lanoye, Sprakeloos, Prometheus, Amsterdam, 2009.
Download deze tekst in pdf:

Met de roman Sprakeloos sluit Tom Lanoye weer aan bij het vaak autobiografisch getinte proza uit zijn beginperiode. In zijn prozadebuut, Een slagerszoon met een brilletje (1985), worden twee fictionele verhalen omringd door twee autobiografische verhalen, het titelverhaal en ‘Oh land der blinden’. Zijn tweede roman, Kartonnen dozen (1992), vervolgt de literaire en existentiële introspectie, met nu evenwel een sterke nadruk op zijn erotische ontluiking. In de daaropvolgende romans gaat de voormalige Antwerpse stadsdichter echter steeds meer de expliciet maatschappelijk geëngageerde richting uit. Zijn ‘Monstertrilogie’ (1997, 1999 en 2002) pikt in op een groot aantal gebeurtenissen uit de recente Belgische geschiedenis, en Het derde huwelijk (2006) refereert aan politieke kwesties als migratie en schijnhuwelijken. Door in Sprakeloos het verhaal van zijn moeder centraal te stellen, keert Lanoye dus in meer dan één opzicht terug naar zijn wortels.
       Dat er blijkbaar een aantal sterke boomstammen die terugweg versperden blijkt uit het eerste deel van het boek: ‘hij (of: het verhaal van het verhaal)’. De auteur uit er meermaals zijn gevoel van onmacht om dit moederboek te kunnen schrijven. Zestig pagina’s lang lijdt de verteller aan uitstelgedrag en ‘[h]oogstaande platbroekerij’ (Sprakeloos, 32). Na een zoveelste, maar definitieve aanmaning – ‘Het is genoeg geweest. Begin’ (71) – start Lanoye dan toch aan het verhaal van zijn moeder. In ‘zij (of: geslagen met verstomming)’ vertelt Lanoye in de eerste plaats het twee jaar durende lijdensverhaal van zijn moeder nadat die getroffen werd door een hersenbloeding. Dat wordt afgewisseld met anekdotes uit haar en hun gezamenlijke verleden waardoor het verhaal ook een beeld van een historische periode geeft. In het derde deel, ‘ik (of: en wat nu)’, ontwikkelt zich na de lange retrospectie een poëticaal toekomstperspectief: ‘Nooit meer zwijgen, altijd schrijven, nooit meer sprakeloos.’ (360)
       Toch slaat ‘sprakeloos’ in eerste instantie niet op de schrijver maar op zijn moeder, Josée Verbeke. Nadat die als amateuractrice haar hele leven ‘ten dienste [had] gesteld van het gesproken woord’ (9), raakt ze door haar hersenbloeding van ‘alles afgesloten wat te maken heeft met taal’ (189). Daardoor wordt zij de laatste jaren van haar leven veroordeeld tot een ‘spastisch gehakkel en gegrom’ (144) of ‘nonsensicaal abracadabra’ (237). Deze taal verschrikt de auteur in die mate dat hij literair verstart: ‘ik mag schrijven wat ik wil, zoveel ik wil, waar ik wil: hoe kan ik dat woedende Bargoens van haar ooit lenigen? Welk soort woord stel ik ertegenover, om het uit mijn memorie weg te snijden, weg te krassen?’ (157) Op die manier verzeilt de auteur in een literaire sprakeloosheid.
       Immers, net omdat hij dit leed in al zijn consequenties wil tonen, kan hij dit verhaal van zijn moeder niet herleiden tot ‘bellettrie […] Niet uitgerekend hier’ (31). Op dit persoonlijke verhaal kan hij ‘niet opnieuw de aloude trukendozen’ (31) toepassen. Hij is ‘de literatuur met hoofdletters voorbij’ (31). Enkel de ‘naakte feiten’, een droge ‘opsomming van scènes en taferelen’ mogen hun weg naar het papier vinden (31). Maar tegelijk zijn er geen stilistische middelen of ‘welluidende lettergrepen’ (31) genoeg om de kracht te bezingen waarmee zij tot het einde bleef vechten tegen de dood en ‘om de schande te vervloeken van haar aftakeling, haar ongelijke strijd. Haar lot, en in haar lot: dat van iedereen’ (31). Wil Lanoye met andere woorden het verhaal van zijn moeder een meer universele draagwijdte geven, als een verhaal over ieders vergankelijkheid en doodsstrijd, dan lijkt hij niet anders te kunnen dan naar de literatuur met hoofdletters te grijpen.


Voor de volledige tekst: download de pdf.