Geen cynisme. Onuitgegeven dagboekfragmenten van Daniël Robberechts

Verschenen in: Mijn Amerika
Auteur: Sven Vitse
Daniël Robberechts, Dagboek '68-'69, het balanseer, Aalst, 2010.
Download deze tekst in pdf:


Drieëntwintig jaar na de publicatie van Dagboek ’66-’68 (1987) verschijnt opnieuw een deel uit het dagboek van Daniël Robberechts. De dagboekfragmenten in deze nieuwe uitgave nemen de draad van het vorige dagboekdeel op en beslaan de tweede helft van 1968 en het volledige jaar 1969. Dat Dagboek ’68-’69 er uiteindelijk is gekomen, is op zich al een bijzondere gebeurtenis, die wellicht weinigen hadden durven voorspellen. Het zag er lange tijd naar uit dat Robberechts’ TOT [Nagelaten werk] (1994) – een ‘totaaltekst’ georganiseerd rond een complex van retorische en narratieve strategieën – de laatste publicatie zou blijven van deze geëngageerde en compromisloze auteur. Achttien jaar na Robberechts’ dood in 1992 kan de lezer genieten van dit nooit eerder in boekvorm verschenen dagboekproza. (Enkele fragmenten werden eerder wel al gepubliceerd in tijdschriften.)
       Dagboek ’68-’69
is een absolute must voor de liefhebber van Robberechts’ werk. Het toont de auteur in een cruciale periode van zijn schrijversleven: hij wacht met spanning de publicatie van twee van zijn boeken af, De grote schaamlippen
(1969) en Aankomen in Avignon (1970), en hij gaat de uitdagingen van een actief publiek schrijversbestaan aan. Bovenal bieden deze dagboekbladzijden een fascinerende inkijk in een sleutelperiode in de recente Europese geschiedenis. Samen met Dagboek ’66-’68 vormt deze nieuwe uitgave een tweeluik dat de late jaren 1960 toont zoals je ze nooit eerder zag. Het is een stukje culturele, politieke en intellectuele geschiedenis door de ogen van een intelligente man, die op een soms onnavolgbare wijze worstelt met zijn omgeving en met zijn eigen denkwereld.

Na 1968
Als het naaldje van een seismograaf registreert de schrijvende hand van Daniël Robberechts de bewegingen op een cruciaal breukvlak in de recente geschiedenis – het jaar 1968. Stond Dagboek ’66-’68, geschreven in de aanloop naar en tijdens de lente van 1968, nog in het teken van de hoop en de verandering, in de aantekeningen die Robberechts maakte tussen september 1968 en eind 1969 klinkt hij somberder dan ooit. Ondanks de hooggestemde verwachtingen van het clubje intellectuelen dat Robberechts frequenteert, is de belangrijkste evolutie die hij registreert de definitieve commercialisering van het boekbedrijf.
       Dit nieuwe boek opent met een veelzeggend dilemma voor de auteur: kan hij het zich als commercieel marginale schrijver permitteren om op de Boekenbeurs afwezig te blijven? De auteurs van de 5de meridiaan – een reeks onder redactie van Julien Weverbergh, waarin Robberechts’ Aankomen in Avignon in 1970 zou verschijnen – bezinnen zich over hun optreden op de Boekenbeurs. ‘Een boycot’, zo constateert Robberechts ontgoocheld, wordt ‘niet eens overwogen’ (3/9/68). Niet alleen zijn sociale fobie maar ook en vooral zijn viscerale afkeer van het commerciële en publicitaire circuit weerhouden Robberechts van een vlot verkoopspraatje op de beurs. Deze vraag aan zichzelf is wellicht retorisch: ‘Zou je zo onmercantiel zijn indien deze maatschappij minder mercantiel was?’ (4/9/68)
       Helaas ziet Robberechts de maatschappij steeds mercantieler worden, daar kunnen de antikapitalistische stromingen in de protestbeweging van de late jaren 1960 niets aan veranderen. Hij constateert dat de commercialisering de verscheidenheid van het boekenaanbod bedreigt, aangezien ‘de uitgeverij zich hoe langer hoe minder de weelde van een verliespost (althans een post zonder winst) kan veroorloven’ (24/9/69). In deze veranderende omstandigheden heeft de literaire auteur de keuze tussen assimilatie en desertie: ofwel bedelt hij ‘om een plaatsje te midden van schund-met-een-mooie-band’, ofwel trekt hij zich terug, ‘van het mercantiele front weg’ (24/9/69). Wat die terugtrekking precies inhoudt, wordt niet helemaal duidelijk, maar het alternatieve boekbedrijf zou in elk geval de kapitalistische ‘ruilwaarde’ en ‘ruilideologie’ achter zich laten (31/8/69). De zogeheten ‘parallelle uitgeverij’ zou vanzelfsprekend een ‘extracommerciële’ aangelegenheid zijn en hopelijk een reeks soortgelijke initiatieven genereren.
       De veranderingen die Robberechts waarneemt, impliceren in de eerste plaats een wissel van de wacht, een wijziging van de gezagsstructuur waarbij de ‘oude orde’ vervangen is door de commerciële orde van de consumptiemaatschappij. Hij reageert dan ook nogal schamper op het woord ‘democratisering’ en op de suggestie dat massamedia ‘democratisch’ zijn. ‘Maar erken dan hoe autoritair de huidige media (geworden) zijn.’ (22/3/69)
       Robberechts lijkt in deze passage te suggereren dat de inhoud van krant, radio en televisie aan het publiek wordt opgedrongen. Hij merkt bijvoorbeeld op: ‘De krant wordt niet door zijn lezers in leven gehouden, maar door publiciteit.’ (22/3/69) Hieruit blijkt dat de commerciële logica in de media nog niet helemaal is doorgedrongen of dat Robberechts haar niet helemaal begrijpt. Voor commerciële media is publiciteit immers een functie van lezers: hoe meer lezers, hoe meer reclame-inkomsten – dat is de onbarmhartige wet van het getal die weleens abusievelijk voor ‘democratisering’ wordt gehouden.
       Robberechts echter lijkt uit te gaan van de (naïeve?) gedachte dat de lezer of kijker, indien hij de keuze had, ook wel de beste keuze zou maken (wat die ook moge zijn). Tezelfdertijd spreekt de auteur de verwachting uit dat het publiek zich niet meer met lezen zal bezighouden ‘wanneer het onderwijs het boek niet meer op autoritaire wijze zal opdringen’. (22/3/69) En als er nog gelezen wordt, dan zal het pulp en schund zijn. Die tekstsoort biedt de lezer immers onbetaalbare voordelen, zoals de ‘besparing van de moeite die elke aandacht vereist’ en de ‘systematische bevestiging in alle (voor)oordelen’ (22/8/69). In deze en andere verspreide opmerkingen over cultuur, media en commercialisering lijkt de libertair om voorrang te strijden met de cultuurpessimist. De libertair strijdt tegen de vastgeroeste machthebbers die hun voorbijgestreefde visie blijven opdringen, terwijl de cultuurpessimist de bui al ziet hangen en in elke vermeende ‘democratisering’ de hand van de commercie ziet (en ziet dat het publiek zich de gulle hand van de commercie laat welgevallen).
       Behalve de wetten van het uitgeefbedrijf snijdt Robberechts in zijn aantekeningen ook geregeld de seksuele mores aan. Hij is als sociaal geremd man zonder meer geobsedeerd door de geruchten over Parijse orgieën (of ‘partouses’ zoals ze hier worden genoemd). Daarnaast speelt pornografie in dit dagboek een zo mogelijk nog prominentere rol dan in de eerder gepubliceerde geschriften. De hedendaagse lezer kan zich nauwelijks voorstellen dat de auteur voor zijn bezit van pornografisch materiaal een ‘politioneel onderzoek’ vreesde. Hij voegt er enigszins raadselachtig aan toe dat zijn pornobestellingen ‘door de repressie ook opportuun werden gemaakt’ (14/10/68).
       Dit dagboek laat zich lezen als een tirade tegen de achterlijkheid van het katholieke Vlaanderen, die onder meer af te meten valt aan zijn aftandse seksuele moraal en het gebrek aan ‘zedelijk pluralisme’ (20/5/69). Gevoelig voor klassentegenstellingen constateert Robberechts dat de bovenklasse via allerlei omwegen aan de betere ‘erotica’ komt, terwijl de onderklasse alleen kennis kan nemen van seksualiteit in vulgaire ‘kiosk-schund’ (20/5/69). Het treurige van deze kwestie is dat Robberechts veeleer dan naar pornografie snakt naar een bevrijding van de erotiek en de seksuele omgang, die past in een bredere bevrijding van de communicatie, maar tegelijk inziet dat de bevrijding zich plooit naar de commercie en de klassentegenstelling – als ‘repressieve consumptie en autoritair statussymbool’ (20/5/69). De invloed van Herbert Marcuse is in deze passages duidelijk voelbaar: ‘seksuele liberalisatie’ zal het erotische verlangen muilkorven in de vorm die ‘via de consumptiemaatschappij wordt opgedrongen’ (20/5/69).


Lees meer in Mijn Amerika.
Vanaf september 2010 vindt u hier de integrale tekst.