Schrijven met beperkingen. Geuren, geluiden en beeldende zwellingen in nieuw proza van Marie Kessels

Verschenen in: Terra recognita
Auteur: Sven Vitse
Marie Kessels, Ruw, De Bezige Bij, Amsterdam, 2009.
Download deze tekst in pdf:

Na twee boeken opgebouwd uit verhalende en beschouwende prozafragmenten, Het nietigste (2002) en Niet vervloekt (2005), publiceert Marie Kessels met Ruw (2009) een boek dat erg op een roman lijkt. Nochtans zijn in Ruw de typische ingrediënten van Kessels’ proza aanwezig: een ik-verteller die in een bedachtzame en beeldende stijl kanttekeningen plaatst bij haar dagelijkse ervaringen, haar sociale contacten, en bij de boeken die ze leest. Daarnaast veel essayistische stukken, waarin een schijnbaar banaal voorval kan uitmonden in een beschouwing die in het beste geval spontaan diepzinnig en speels poëtisch is. Alleen heeft Kessels in Ruw gekozen voor een sterkere narratieve en thematische integratie.
       Gemma leeft al vier maanden als blinde: een wild opengeslagen deur van een vrachtwagen verbrijzelde haar voorhoofdsbeen, waarvan de splinters op hun beurt de oogzenuw doorsneden – ‘niets meer aan te doen’ (10). Ze blijft echter niet bij de pakken neerzitten: ze leert braille en schaft de nodige ‘schrijfmaterialen’ (10) aan. De tekst die de lezer voor ogen heeft, is het verslag van haar hardnekkige pogingen om de stad in haar eentje te verkennen én daarover een verslag te schrijven. Het zelfreflexieve karakter blijkt al uit de openingspagina’s. Op de eerste pagina vertelt Gemma over de route ‘door de Annastraat’ (7). De volgende alinea, op de tweede pagina, begint als volgt: ‘Mijn eerste verslagje van een nachtelijke verkenningstocht door de stad, mijn eerste, hotsende en botsende zinnen in braille, driemaal gecorrigeerd, zodat er op mijn vingers zwellingen zijn ontstaan’ (8). Het eerste verslagje wordt niet aangehaald of geciteerd, dus ook de opmerking over het verslag behoort tot het verslag. Vreemd dat in het verslag staat dat het drie keer werd gecorrigeerd. Dat kan de verteller in principe toch pas achteraf toevoegen, wanneer ze commentaar geeft bij een tekst die ze heeft geschreven, driemaal herschreven, en die ze nu citeert?
       Wie dat wil, kan deze roman lezen als een bundel aantekeningen van een blinde vrouw, waarin ze op een zo realistisch mogelijke wijze rapporteert over haar re-integratieproces. De lezer kan in het personage Gemma overeenkomsten zien met de vertellers uit Kessels’ eerdere boeken: Gemma werkte voor haar ongeval in een ‘Theehuis’ (13) en is bezeten door literatuur en muziek. Ruw kan echter evengoed als een narratief en essayistisch gedachte-experiment gelezen worden. De academicus Don, een goede vriend van Gemma, beschouwt haar in de eerste plaats als een laboratoriumrat: hij is gefascineerd door de manier waarop een organisme zich aanpast aan een nieuw zintuig. Het is dus ook fascinerend om te zien hoe Gemma zich aan het verlies van een zintuig aanpast. Even boeiend is het om te zien hoe een schrijver zich aanpast aan het verlies van een zintuig – aan een focaliserend personage dat een zintuig mist. Een zintuig dat van doorslaggevend belang is in verhalende literatuur: de focalisator is immers de instantie die alles ziet. Ruw is daarom ook een verfrissend staaltje van schrijven met beperkingen, een poging om te ontkomen aan de dominantie van het visuele.


Voor de volledige tekst: download de pdf.