Een kind met een hartaanval. Over het handschreeuwkoor van Tonnus Oosterhoff

Verschenen in: Belladonna
Auteur: Jeroen Dera
Tonnus Oosterhoff, handschreeuwkoor, DRUKsel, Gent, 2008.
Download deze tekst in pdf:

In zijn essay ‘Arm interpreterend brein’, opgenomen in de bundel Ook de schapen dachten na (2000), onderscheidt Tonnus Oosterhoff twee manieren van lezen. ‘Bij de eerste manier zie ik dóór de tekst de werkelijkheid, meen die althans te zien’, schrijft de dichter. Als illustratie dient het sonnet ‘Ligstoel’ van Herman de Coninck, dat met zijn beeldende passages een werkelijkheid in het leven roept waarmee de lezer bekend is. In de woorden van Oosterhoff functioneert een dergelijk gedicht als een voertuig naar kennis van de wereld. De Conincks versregels refereren, met andere woorden, aan een voor de lezer overzichtelijke realiteit.
       Tegenover deze referentiële manier van lezen, die plausibele interpretaties van de beschouwde poëzie oplevert, plaatst Oosterhoff ‘de onbegrijpende manier, die op zien lijkt meer dan op kijken, op horen meer dan op luisteren’. Om deze leeswijze vragen bijvoorbeeld de gedichten van F. van Dixhoorn, die zich niet laten vangen in een allesomvattende interpretatie. De lezer die probeert zulke poëzie te herleiden tot een les over de werkelijkheid, zo betoogt Oosterhoff, tast onvermijdelijk in het duister. Desalniettemin levert de onbegrijpende manier van poëzie lezen, waarbij men vaak toch een zekere samenhang weet te construeren, iets op. De dichter besluit tentatief: ‘Zeg ik het zo goed: De tweede manier van lezen is structuur ervaren. Als het begrip dat naar de wereld buiten het gedicht leidt, gebroken is, en er door allerlei vormen en signaleringen – elke dichter heeft eigen methoden – toch een besef van coherentie is, wordt poëzie als muziek, een dans van samenhangen.’
       Met zijn tweedeling plaatst Oosterhoff zich, zij het niet expliciet, in een langere traditie. Zijn aan elkaar tegengestelde manieren van lezen roepen eerdere opposities in herinnering – denk bijvoorbeeld aan het onderscheid dat Gerrit Kouwenaar in de bloemlezing Vijf 5 tigers maakte tussen traditionele ‘mededelingspoëzie’ en de experimentele poëzie waarin taal geen middel, maar doel is – en de vergelijking tussen poëzie en muziek werd eerder al door onder meer Hans Faverey geformuleerd. Tegelijkertijd laat Oosterhoffs betoog in ‘Arm interpreterend brein’ zich mooi verbinden met zijn eigen poëtische oeuvre, dat herhaaldelijk is gekarakteriseerd in termen van excentriciteit en complexiteit, en vaak tot de tweede manier van lezen dwingt.
       Vooralsnog lokte Oosterhoff het lezen als ‘structuur ervaren’ het heftigst uit in zijn bundel Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen (2003) en in zijn digitale poëzie. In het gedrukte gedicht ‘Je bent (net als) een zieke beuk je blad’ heeft de dichter een traditionele, referentiële lezing onmogelijk gemaakt door woorden in het gedicht radicaal door te strepen en dwars door de strofen moeilijk leesbare, handgeschreven hanenpoten aan te brengen, die volledig de aandacht opeisen voor de vorm van het gedicht. Van zulke kladblaadjespoëzie vinden we in de bundel meer voorbeelden, die de lezer steeds heel letterlijk de structuur van Oosterhoffs werk laten ervaren.
       Op de cd-rom die bij Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen is gevoegd, exploreert Oosterhoff de tegenpool van het handgeschreven woord. De digitale, bewegende gedichten die daaruit voortkomen, hebben echter met Oosterhoffs gepriegel gemeen dat zij een traditionele lezing blokkeren. Deze poëzie overkomt de lezer letterlijk, of (in de woorden van Hans Groenewegen): neemt hem in regie. Wie in het gedicht ‘berg’, dat lange tijd te lezen was op de website van de dichter, alle woorden op zich wil laten inwerken, komt ogen en vooral tijd te kort: sommige gedichtelementen verschijnen slechts een fractie van een seconde op het scherm – in gezelschap van andere knipperende woorden nota bene – en verdwijnen voor ze goed en wel gezien zijn. Dat een sluitende, referentiële lezing hierdoor wordt geblokkeerd, behoeft nauwelijks een betoog.
       Zowel de digitale als de doorgekraste gedichten geven er blijk van dat Tonnus Oosterhoff een dichter is die moeite heeft met ‘volmaakte’ poëzie. In hun boek Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen stellen Thomas Vaessens en Jos Joosten dan ook terecht dat Oosterhoff zich verzet tegen gedichten die ‘af’ zijn. Niet voor niets verdwijnen de bouwstenen van de bewegende gedichten voortdurend van het scherm en begint deze poëzie steeds opnieuw. Ook Oosterhoffs gekras in zijn gedrukte werk past bij die afrekening met het volmaakte gedicht: blijkbaar kan de dichter zich niet verzoenen met het afgeronde eindproduct dat een gedicht in een bundel toch is.
       Toen begin 2008 Ware grootte verscheen, de langverwachte opvolger van Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen, viel het veel critici op dat Oosterhoff minder experimenteel was geworden. Het belangrijkste argument luidde dat zijn nieuwe gedichten ‘ongehavend’ waren. Inderdaad publiceerde de Koning der Kwallen, zoals Daniël Rovers de dichter met een knipoog naar Lucebert karakteriseerde, met Ware grootte een bundel waarin de gedichten typografisch als ‘af’ kunnen worden beschouwd. Toch valt ook hier heel wat structuur te ervaren, al is het maar op syntactisch niveau: regels als ‘brappelpot potloodkrabbel zeg met wie vieren jullie ik ben een / mijn potlood valt in hond, mijn stem vormt het hond woord’ lenen zich niet bepaald voor een De Conincklezing.
       Wie op basis van Ware grootte toch meende dat Oosterhoffs experimentele lusten in 2008 waren ingedamd, kwam in het najaar bedrogen uit. Toen verscheen, geheel in de marge, de bibliofiele bundel handschreeuwkoor bij uitgeverij Druksel te Gent. Dit boekje, waarvan slechts honderddertig (gesigneerde) exemplaren bestemd zijn voor de handel, is alleen via de website van de uitgeverij te bestellen en bleef onopgemerkt door de literaire kritiek. Dat is jammer, want Oosterhoff snoert hier elke criticus de mond die beweerd had dat hij ‘traditioneler’ was geworden: handschreeuwkoor is een radicaal experiment met handschrift, waarin slechts één gedrukt gedicht is opgenomen. Meer dan op een gedichtenbundel lijkt dit op een kijkboek – of beter: een zieboek, want van Oosterhoffs gekrabbel en gekras is soms met de beste wil van de wereld niets te maken.


Voor de volledige tekst: download de pdf.